Handgeschreven brief
Origineel
Handgeschreven brief 3 november 1941 W. Huijsten, wonende aan de Commelinstraat 119 III, Amsterdam (Oost). Geboren op 20-06-1904 te Amsterdam. Bureau Marktwezen, Amsterdam. Ingekomen
A'dam. 3. Nov. 1941
Aan het bureau marktwezen.
M. H.
In verband met het verdwijnen der joden
van de markten is onderget. een standplaats
aangewezen op den Alb. Cuypmark om daar met
versche visch te gaan staan.
Doordat zulks alle op toewijzing gaat, zou
ik U beleefd willen vragen mij op de lijst
te plaatsen om in aanmerking te komen
voor alle soorten riviervisch.
In beleefde afwachting een gunstig antwoord
van U te mogen ontvangen teeken ik
Hoogachtend.
W. Huijsten.
geb. 20-6-1904
te Amsterdam
Commelinstraat 119 III
Amsterdam (Oost)
[Handgeschreven notitie in ander handschrift onderaan rechts:]
afwijzen
Men is reeds
watervisch gedaan De brief is een formeel verzoek van een Amsterdamse burger om zijn handelsmogelijkheden op de markt uit te breiden. De afzender, W. Huijsten, heeft blijkbaar al een standplaats toegewezen gekregen op de Albert Cuypmarkt voor "versche visch", maar wenst nu specifiek toegevoegd te worden aan de lijst voor "riviervisch" (zoetwatervis).
Het meest opvallende element is de expliciete rechtvaardiging die de schrijver geeft voor de beschikbaarheid van de plek: "het verdwijnen der joden van de markten". De toon is uiterst beleefd en zakelijk, wat in schril contrast staat met de morele implicaties van het verzoek. De schrijver ziet de vervolging en verwijdering van Joodse handelaren puur als een economische kans.
De ambtelijke reactie onderaan de brief is kortaf: "afwijzen". De reden die wordt gegeven ("Men is reeds watervisch gedaan") suggereert dat de quota of toewijzingen voor dit type visproduct op dat moment al waren vervuld. Dit document is een direct bewijsstuk van de 'Arisering' van de Amsterdamse straathandel tijdens de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog. In 1941 werden Joodse Amsterdammers stapsgewijs uit het openbare en economische leven geweerd. Een specifieke maatregel was het verbod voor Joden om op markten te staan, wat een enorme impact had op markten zoals de Albert Cuyp.
De brief illustreert hoe de uitsluiting van de Joodse bevolking leidde tot collaboratie en opportunisme onder de rest van de bevolking. Veel niet-Joodse burgers probeerden de vrijgekomen standplaatsen en vergunningen te bemachtigen. Het Bureau Marktwezen van de gemeente Amsterdam voerde deze maatregelen bureaucratisch uit en beheerde de herverdeling van de plekken die eens door Joodse stadgenoten werden ingenomen.