Archiefdocument
Origineel
11 juni 1941. Directeur van het Marktwezen (Amsterdam). Wethouder voor de Levensmiddelen. [Handgeschreven: 59/4/1]
Bladzijde 6 van brief No. 37/54/T M. d.d. 11 Juni 1941 aan den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen van den Directeur van het Marktwezen.
Als kleinhandelsveilingen zullen dan alleen blijven bestaan de veilingen voor bloemen, planten, heesters e.d. waarvoor te Amsterdam geen groothandel van eenige beteekenis bestaat.
Nieuwe exploitatievormen voor de veiling.
Wat de exploitatie van de op de Centrale Markt gevestigde veilinginstallaties betreft kunnen in het algemeen twee mogelijkheden onder het oog worden gezien.
a. Iedere scherp afgebakende groep (bijvoorbeeld de in het coöperatief verband georganiseerde voormalige Amsterdamsche marktuinders) wordt gelegenheid gegeven om op de Centrale Markt zelfstandig en onafhankelijk van anderen het veilingbedrijf uit te oefenen.
b. Er wordt een centraal veilinglichaam gesticht (eventueel door reorganisatie van de bestaande N.V.), dat zich ten behoeve van de coöperatieve veilingvereeniging(en) belast met de uitvoering van het technische en administratieve gedeelte van het veilingbedrijf. Elke coöperatieve veilingvereeniging regelt zelf de verplichtingen van de leden ten aanzien van de sorteering, verpakking enz., van de producten en van den aanvoer. Het bestuur der veilingvereeniging houdt het dagelijksch contact met de leiding van het eigenlijke veilingbedrijf, waarmede de coöperatieve veilingvereeniging een contract terzake van de veiling heeft afgesloten, in welk contract de wederzijdsche rechten en verplichtingen zijn geregeld.
Het onder b geschetste stelsel heeft voorkeur boven het eerste en wel omdat:
1e. bij dit stelsel een betere organisatie van het veilingwezen (onder meer indeeling veilingtijden) kan worden verkregen;
2e. van de bestaande outillage, zoomede van het aanwezige veilingpersoneel het grootste nut kan worden getrokken.
Indien namelijk meer veilingorganisaties zelfstandig op de Centrale Markt zouden optreden, dan zou iedere organisatie een eigen directie, personeel, administratie, kantoren etc. moeten bekostigen, eigen emballage moeten aanschaffen enz. Bij het ad b genoemde stelsel moet echter voorop gesteld worden, dat het veilingbedrijf staat onder een goede leiding, welke een open oog heeft voor de belangen van de verschillende groepen en door haar optreden het vertrouwen geniet van de individueele inzen- ders en de in veilingvereenigingen georganiseerde groepen. Deze veilingvereenigingen moeten bereid zijn hare belangen aan een dergelijke centrale veilingorganisatie toe te vertrouwen.
In verband hiermede is van groot belang de vorm, welke aan de veilingorganisatie op de Centrale Markt zal moeten worden gegeven. Er is daarbij keuze tusschen twee mogelijkheden namelijk:
I het exploiteeren van de veiling door een particuliere onderneming;
II het exploiteeren van een gemeentelijke veiling.
Gezien de monopolistische positie, welke het veilingwezen op de Centrale Markt zal gaan innemen en de vaak tegenstrijdige belangen van de verschillende bij de veiling betrokken Dit document is een beleidsadvies van de Directeur van het Marktwezen aan de Amsterdamse Wethouder voor de Levensmiddelen. De kern van het document is de keuze voor een nieuwe organisatiestructuur voor de groothandelsveilingen op de Centrale Markt.
De directeur weegt twee modellen af:
1. Versnipperde exploitatie (a): Waarbij groepen tuinders hun eigen veilingen zelfstandig beheren.
2. Gecentraliseerde exploitatie (b): Waarbij één overkoepelend orgaan de techniek en administratie regelt voor alle aangesloten coöperaties.
De conclusie van de directeur is duidelijk: Stelsel B heeft de voorkeur. De argumenten zijn gebaseerd op efficiëntie: betere planning van tijden, optimaal gebruik van bestaande apparatuur ("outillage") en personeel, en lagere overheadkosten (geen dubbele administraties of directies). Ten slotte stelt hij de vraag of deze centrale instantie een privaat bedrijf of een gemeentelijke instelling moet worden, waarbij hij wijst op de gevaren van een monopoliepositie. De datum van dit document, 11 juni 1941, plaatst het midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was de voedselvoorziening een cruciaal en politiek beladen dossier.
- Centrale aansturing: Onder de bezetter werd gestreefd naar een verregaande centralisatie en regulering van de economie (de zogenaamde Gleichschaltung), ook in de landbouw en handel. De voorkeur voor een centraal veilinglichaam past in deze tijdgeest van strakke regie om de voedseldistributie te beheersen en rantsoenering mogelijk te maken.
- Voedselvoorziening in Amsterdam: De Centrale Markt (tegenwoordig Food Center Amsterdam aan de Jan van Galenstraat) was de spil in de voedselvoorziening van de stad. In 1941 was de schaarste al merkbaar en was een efficiënte distributie noodzakelijk om tekorten en zwarte handel tegen te gaan.
- Gemeentebestuur: Het Amsterdamse college van B&W stond in 1941 onder toezicht van de bezetter. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" had de zware taak om de stad te voeden terwijl de Duitse autoriteiten steeds grotere delen van de Nederlandse productie vorderden voor de eigen Wehrmacht en bevolking.