Archief 745
Inventaris 745-362
Pagina 67
Dossier 55
Jaar 1941
Stadsarchief

Brief (bladzijde 10 van een dossier/rapport).

11 juni 1941. Van: Directeur van het Marktwezen (Amsterdam).

Origineel

Brief (bladzijde 10 van een dossier/rapport). 11 juni 1941. Directeur van het Marktwezen (Amsterdam). 59/4/1

Bladzijde 10 van brief No. 37/54/1-M. d.d. 11 Juni 1941 aan den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen van den Directeur van het Marktwezen.

Verwacht wordt, dat de omzet van de producten der tuinders, welke sedert 5 Mei jl. krachtens maatregelen van de regeering via de veiling worden verkocht een bedrag van rond f 2.000.000,- per jaar zullen uitmaken.

Ten aanzien van de regeling der goodwill in een eventueel nieuw contract lijkt het mij in het licht van het bovenvermelde voorloopig het beste dat getracht wordt een clausule op te nemen, waarbij ten aanzien van de bepaling der goodwill eventueel slechts rekening zal worden gehouden met die eigen relaties der N.V. Nederlandsche Veiling, welke deze op het oogenblik van het afsluiten der nieuwe overeenkomst bezat.

Het zooveel mogelijk behouden van die relaties is een der redenen waarom ik aan het aangaan van een gewijzigd contract met de huidige N.V. voorshands de voorkeur moet geven boven een contract met een andere gegadigde en dus ook van een gemeentelijke veiling. Dit geldt dus ook voor het geval die nieuwe gegadigde zou zijn de groep tuinders, welke thans noodgedwongen bij de N.V. Nederlandsche Veiling doen veilen.

Het Tuindersstandpunt.

Bedoelde tuinders zijn op de hoogte van het feit, dat hun omzet belangrijk uitgaat boven den omzet, welke de N.V. Nederlandsche Veiling tot voor 5 Mei jl. had bereikt. In tuinderskringen openbaart zich het streven om de veiling in eigen handen te krijgen. Zooals ik hierboven reeds opmerkte, is deze vorm van exploitatie mogelijk, terwijl het denkbaar is, dat een veilingcombinatie van tuinders, die eventueel de op de Centrale Markt gevestigde veiling zal exploiteeren, ook de veiling van bloemen, fruit en dergelijke zal uitoefenen. Zooals ik reeds memoreerde, komt het bij de coöperatieve veilingen in het land vrij veelvuldig voor, dat de veilingen, behalve de producten van hare leden, ook producten veilt van zoogenaamde "gasten". Het gevaar is hierbij echter groot, dat de belangen van de eigen groep zullen overwegen en dat geen pogingen zullen worden gedaan om andere groepen of individueele kweekers te Amsterdam te doen veilen. Uitlatingen van tuinderszijde duiden hierop reeds. Men heeft namelijk te kennen gegeven, dat de voedselvoorziening van Amsterdam primair is en dat, indien zulks ter wille van de exploitatie der groentenveiling van belang zou zijn, de bloemenveiling zoo noodig zou moeten verdwijnen. Ik moet hierbij verder vermelden, dat in Regeeringskringen in Den Haag, welke den tuinbouw zeer na staan, in dit verband bepaalde opvattingen worden gehuldigd en wel de volgende.

De coöperatieve veilingen zijn grootendeels vereenigd in het Centraal Bureau voor de Veilingen in Nederland, een zuiver particuliere instelling. Degenen, die in dit Bureau een vooraanstaande positie innemen zijn tevens de leidende figuren in de Nederlandsche Groente- en Fruitcentrale. In deze kringen heerscht de opvatting, dat een veiling van kweekers eerst dan geslaagd kan heeten, wanneer zij geheel in handen is van belanghebbenden. De positie van de veilingen ten opzichte van het Centraal Bureau is als volgt: het Centraal Bureau behandelt voor verschillende coöperatieve veilingvereenigingen Dit document behandelt de administratieve en economische herstructurering van de Amsterdamse veilingen tijdens de bezettingsjaren. De kernpunten zijn:

  • Gedwongen nering: Sinds 5 mei 1941 zijn tuinders door overheidsmaatregelen verplicht hun producten via de veiling te verkopen. Dit heeft geleid tot een enorme stijging van de omzet (geschat op 2 miljoen gulden per jaar).
  • Goodwill-problematiek: Er wordt onderhandeld over een nieuw contract met de N.V. Nederlandsche Veiling. De directeur van het Marktwezen adviseert om de "goodwill" (de waarde van het klantenbestand) enkel te baseren op de relaties die het bedrijf al had vóór de gedwongen toevoeging van de nieuwe tuindersgroep.
  • Belangenstrijd: Er is een conflict tussen de private N.V. en een groep tuinders die de veiling in eigen beheer (coöperatief) wil nemen. De directeur vreest dat een tuinderscoöperatie andere groepen (zoals bloemenkwekers) zal benadelen of zelfs wegjagen ten faveure van de voedselvoorziening.
  • Centralisatie: Er wordt verwezen naar de invloed van landelijke organen zoals de Nederlandsche Groente- en Fruitcentrale, die aandringen op veilingen die volledig in handen zijn van de producenten (belanghebbenden). De datum van de brief, 11 juni 1941, is cruciaal. Nederland bevindt zich in het tweede jaar van de Duitse bezetting. De bezetter voerde een strakke regie op de economie en de voedselvoorziening (de "distributie").

  • De maatregel van 5 mei 1941 was onderdeel van deze centralisatie om de grip op de voedselstromen te vergroten en de zwarte handel in te dammen.

  • De prioriteit voor "voedselvoorziening van Amsterdam" boven de bloementeelt is een direct gevolg van de oorlogssituatie, waarin de primaire levensbehoeften (groenten/fruit) belangrijker werden geacht dan sierteelt.
  • De genoemde instellingen zoals de Nederlandsche Groente- en Fruitcentrale (NGF) maakten deel uit van de zogeheten "Ordening van het Bedrijfsleven", waarbij de bezetter via Nederlandse organen de markt controleerde.

Samenvatting

Dit document behandelt de administratieve en economische herstructurering van de Amsterdamse veilingen tijdens de bezettingsjaren. De kernpunten zijn:

  • Gedwongen nering: Sinds 5 mei 1941 zijn tuinders door overheidsmaatregelen verplicht hun producten via de veiling te verkopen. Dit heeft geleid tot een enorme stijging van de omzet (geschat op 2 miljoen gulden per jaar).
  • Goodwill-problematiek: Er wordt onderhandeld over een nieuw contract met de N.V. Nederlandsche Veiling. De directeur van het Marktwezen adviseert om de "goodwill" (de waarde van het klantenbestand) enkel te baseren op de relaties die het bedrijf al had vóór de gedwongen toevoeging van de nieuwe tuindersgroep.
  • Belangenstrijd: Er is een conflict tussen de private N.V. en een groep tuinders die de veiling in eigen beheer (coöperatief) wil nemen. De directeur vreest dat een tuinderscoöperatie andere groepen (zoals bloemenkwekers) zal benadelen of zelfs wegjagen ten faveure van de voedselvoorziening.
  • Centralisatie: Er wordt verwezen naar de invloed van landelijke organen zoals de Nederlandsche Groente- en Fruitcentrale, die aandringen op veilingen die volledig in handen zijn van de producenten (belanghebbenden).

Historische Context

De datum van de brief, 11 juni 1941, is cruciaal. Nederland bevindt zich in het tweede jaar van de Duitse bezetting. De bezetter voerde een strakke regie op de economie en de voedselvoorziening (de "distributie").

  • De maatregel van 5 mei 1941 was onderdeel van deze centralisatie om de grip op de voedselstromen te vergroten en de zwarte handel in te dammen.
  • De prioriteit voor "voedselvoorziening van Amsterdam" boven de bloementeelt is een direct gevolg van de oorlogssituatie, waarin de primaire levensbehoeften (groenten/fruit) belangrijker werden geacht dan sierteelt.
  • De genoemde instellingen zoals de Nederlandsche Groente- en Fruitcentrale (NGF) maakten deel uit van de zogeheten "Ordening van het Bedrijfsleven", waarbij de bezetter via Nederlandse organen de markt controleerde.

Kooplieden in dit dossier 10

Blei, meun, sneep en winde boven ½ kg en kroeskarper
Bot, andere dan Noordzeebot *0.15* [hs]
Edelkarper (levend) *0.45* [hs]
Grossiers en personeel f 642.-
A. Geboorte f. 9.600.-
P.H. Passchier " 4.160.-
Snoek en barbeel *0.12* [hs]
Voorn en kolblei beneden 20 cm en serpeling
M. Sicma *0.20* [hs]

Gerelateerde Documenten 6