Archiefdocument
Origineel
Bladz.
11 11 Juni x41
37/5471 59/11/1 den Heer Wethouder voor de
Amsterdam. Levensmiddelen,
de gemeenschappelijke belangen; overigens echter zijn de coöperatieve veilingvereenigingen geheel autonoom. Questies over den vorm van het fust, statiegeld, fusthuur, toelating tot veiling ook van kleinhandelaren, veilingprovisies enz. worden door iedere veilingvereeniging zelfstandig geregeld.
Wel tracht de leiding van het Centraal Bureau voor de Veilingen in dit opzicht de noodige verbetering te brengen. Tot nog toe is het succes echter over het algemeen niet zeer groot geweest, hoewel enkele veilingorganisaties verbeteringen hebben gebracht door het organiseeren van verpakkingscursussen, door het invoeren van een scherpe keur op de aangevoerde artikelen en dergelijke. Het ware voor de voedselvoorziening van Nederland te wenschen, dat in bedoeld opzicht bindende voorschriften terzake voor alle veilingen in Nederland werden gemaakt. Om hier toe te komen is het noodig, dat een vaster verband wordt gelegd tusschen het Centraal Bureau en de verschillende veilingorganisaties. Ik acht het mogelijk, dat de nieuwe maatregelen op het gebied van de Organisatie van de voedselvoorziening (vide hieromtrent Gemeenteblad afd. 4 volgno. 214) ten deze het gewenschte effect zullen opleveren.
Het is op grond van het bovenstaande gewenscht, dat de tuinders uit de omgeving van Amsterdam zich, ter zake van den verkoop van hun producten via een veiling, in cooperatief verband vereenigen. Inderdaad worden thans pogingen in het werk gesteld om tot een cooperatieve veilingorganisatie te komen. Voor de uitvoering van het cooperatief veilingbedrijf is het echter niet noodig, dat de cooperatieve veilingorganisatie de veilingapparatuur in eigen bezit heeft. Het bezit van gebouwen en installaties legt zeer zware verplichtingen op de leden van de cooperatie, waarbij komt dan nog, dat de cooperatieve veilingvereeniging het veilingpersoneel in haar eigen dienst moet nemen. Amsterdam, met name de Centrale Markt biedt mogelijkheden voor de tuinders, die elders in het land niet aanwezig zijn, namelijk het reeds bestaan van veilinginrichtingen, waarbij de mogelijkheid aanwezig is om tot uitbreiding en verbetering van deze inrichtingen over te gaan, terwijl voorts het bestaan van een organisatie op de Centrale Markt, die reeds over ervaren veilingpersoneel beschikt van groot voordeel is. Het gebruik maken van een en ander zal de tuinders ontheffen van de zware verplichtingen en risico's ter zake van de inrichting en exploitatie van een veiling. Tegen betaling van een provisie, evenals dit elders geschiedt, zullen de tuinders, eventueel dus de cooperatieve vereeniging, van de diensten van het veilingbedrijf gebruik kunnen maken. Bij een doelmatige exploitatie zullen de kosten voor de tuinders zeker niet hooger en zeer waarschijnlijk zelfs lager zijn, dan wanneer de tuinders zelf een veiling moeten oprichten en exploiteeren.
De regeling, zooals ik die hierboven heb omschreven, wijkt af van hetgeen elders in den lande bestaat. Deze regeling is niet in overeenstemming met de opvattingen van de leidende kringen in den tuinbouw, die, zooals ik hierboven reeds mededeelde, de exploitatie geheel in handen van de tuinders zelf zouden willen zien. Het is denkbaar, dat deze instanties invloed in deze richting op de tuinders zullen trachten uit te
--- Dit document is een ambtelijk schrijven of rapportfragment betreffende de structuur van de groente- en fruitveilingen rondom Amsterdam. De kern van het betoog is de noodzaak voor een betere organisatie van de voedselvoorziening door middel van coöperatie, maar met een specifieke Amsterdamse invulling.
De schrijver signaleert dat veilingen momenteel te autonoom opereren, wat uniformiteit in zaken als verpakking en kwaliteitscontrole bemoeilijkt. Er wordt gepleit voor een centralere rol van het "Centraal Bureau voor de Veilingen". Voor de tuinders rond Amsterdam wordt een specifiek model voorgesteld: zij moeten zich weliswaar coöperatief verenigen, maar hoeven geen eigenaar te worden van de gebouwen en installaties. In plaats daarvan kunnen zij gebruikmaken van de bestaande infrastructuur en het personeel van de Centrale Markt in Amsterdam. Dit zou de financiële risico's voor de tuinders verkleinen, hoewel het indruist tegen de landelijke trend waarin tuindersorganisaties de volledige keten in eigen beheer willen houden.
--- De tekst verwijst naar de "Organisatie van de voedselvoorziening" en het "Gemeenteblad afd. 4 volgno. 214". Dit plaatst het document zeer waarschijnlijk in de periode van de economische crisis in de jaren '30 of de beginjaren van de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was de overheid (zowel rijks- als gemeentelijk) genoodzaakt de distributie en verkoop van levensmiddelen strakker te reguleren.
De Centrale Markthallen in Amsterdam-West werden geopend in 1934 en vormden een hypermodern knooppunt voor de voedselvoorziening van de stad. Het voorstel om tuinders gebruik te laten maken van deze faciliteiten in plaats van hen eigen veilingen te laten bouwen, past in de tijdsgeest van efficiëntieverbetering en risicobeperking tijdens een periode van economische of politieke onzekerheid. De "leidende kringen in den tuinbouw" waar de tekst over rept, verwijzen naar de gevestigde belangenorganisaties die streefden naar volledige autonomie voor de producentencoöperaties.