Getypte rapportage/notitie met financiële tabel (bladnummer - 3 -).
Origineel
Getypte rapportage/notitie met financiële tabel (bladnummer - 3 -). Vermoedelijk najaar 1940 (gezien de verwijzing naar "1 Jan. 1941" en een document van februari 1940). - 3 -
| Objecten | A toestand vóór 1 Jan. 1941 | B Niet-aanneming voorstel | C Aanneming voorstel |
|---|---|---|---|
| Kantoorruimten pieren M,N en O | 6 x fl. 100.- } 3 x " 1.000.- } | f. 9.600.- | f. |
| Standplaatsen | 6 x " 300.- | " 1.800.- | " |
| Opslagruimten pier P. | 1 x " 520.- ) 7 x " 800.- ) (resp.f 520.-) | " 6.120.- | " 6.120.-(?) |
| Bankkantoor | 52 x f. 40.- (evtl.) | " -.- | " 2.080.-(?) |
| f. 17.520.- | f. 8.200.-(?) |
Résumé.
Thans kan het volgende worden betoogd:
1. aangezien de aardappelgrossiers de kantoorruimten en openluchtplaatsen niet meer noodig hebben moet opzegging van de betreffende huurcontracten normaal worden genoemd, en zal bij niet-aanneming van het voorstel maximaal worden ontvangen over 1941 f. 8.200.-. Weliswaar is dit f. 9.320.- lager dan volgens den toestand op 31 December 1940 zou zijn, indien alles bij het oude zou zijn gebleven, doch er zij met nadruk op gewezen dat dit een fictie is; de realiteit aanvaardende zal de Centrale Markt met een verlaging van hare inkomsten dienen rekening te houden tot het genoemde bedrag, aangezien contracten expireerden en aanleiding tot continueeren niet aanwezig is.
2. echter zijn de grossiers bereid, indien:
a. het bankkantoor gratis wordt afgestaan, en
b. de huur van alle opslagruimten op pier P met ingang van 1 Januari 1941 wordt gesteld op f. 10.- per week, de kantoorruimten op de pieren M,N en O op den ouden voet wederom te huren, zoodat de Centrale Markt dan zal ontvangen f. 13.760.- per jaar, (dus weliswaar f. 3.760.- minder dan bij continueering van den toestand tot 1 Januari 1941) waartoe bij de grossiers geen behoefte bestaat, doch f. 5.560.- méér dan bij niet-aanneming van het voorstel der grossiers.
Conclusie.
De vraag, of de financieele positie van de betrokkenen wellicht zoodanig zou zijn, dat zij zich een niet strikt-noodzakelijke uitgave zouden kunnen veroorloven (zie in dit verband de apostille d.d. 28 Februari j.l. No. 1160 L.M. 1940 van den Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen) blijve, als niet ter zake doende, buiten beschouwing. * Financiële scenario's: Het document vergelijkt drie situaties:
* A: De huidige inkomsten (vóór 1941), totaal f. 17.520,-.
* B: De situatie als de grossiers hun contracten opzeggen (wat hun recht is omdat ze de ruimtes niet meer nodig hebben), wat de inkomsten doet kelderen naar f. 8.200,-.
* C: Een compromis waarbij de grossiers bepaalde ruimtes blijven huren tegen aangepaste tarieven, wat f. 13.760,- oplevert.
* Onderhandelingsstrategie: De opsteller adviseert feitelijk om voorstel C te accepteren. Hoewel dit minder is dan de huidige inkomsten, is het aanzienlijk meer dan wat overblijft als de grossiers hun contracten simpelweg laten verlopen (Scenario B).
* Juridisch argument: De opsteller benadrukt dat het behouden van de oude inkomsten (Scenario A) een "fictie" is, omdat de contracten simpelweg aflopen en er geen noodzaak is voor de huurders om te verlengen. Dit document stamt uit de periode van de Duitse bezetting in Nederland (gezien de datumreferenties eind 1940). Het biedt een inkijkje in het zakelijke en gemeentelijke beheer van de Centrale Markt (waarschijnlijk die van Amsterdam, gezien de referentie naar de specifieke Wethouder voor Levensmiddelen). In deze periode stond de voedselvoorziening onder grote druk en werden distributie- en marktsystemen streng gereguleerd. De discussie over huurprijzen voor "aardappelgrossiers" is tekenend voor de economische verschuivingen en de noodzaak voor marktbeheerders om inkomsten veilig te stellen terwijl de commerciële partijen (de grossiers) probeerden hun kosten te drukken in onzekere tijden. De "apostille" van de Wethouder uit februari 1940 suggereert dat de discussie over de financiële draagkracht van deze sector al langer speelde.