Archief 745
Inventaris 745-362
Pagina 423
Dossier 103
Jaar 1941
Stadsarchief

Afschrift van een brief.

6 juni 1941. Van: Jacob Krant, grossier op de Centrale Markt, wonende Eemsstraat 9, Amsterdam-Zuid.

Origineel

Afschrift van een brief. 6 juni 1941. Jacob Krant, grossier op de Centrale Markt, wonende Eemsstraat 9, Amsterdam-Zuid. No.66/11/3 M.1941 12/6 AFSCHRIFT.

No.59/3 L.M.1941. Amsterdam, 6 Juni 1941.

Aan den Heer Wethouder van het
Marktwezen te Amsterdam.

Weled.Gestr.Heer,

Ondergeteekende, Jacob Krant, wonende Eemsstraat 9 te
Amsterdam-Zuid, verzoekt U bij deze hem, als grossier op de
Centrale Markt, ontheffing te willen verleenen van het huur-
contract van het zolderpakhuis Hal boven de westelijke uit-
gang tusschen pakhuis 10 en 12.
Per 10 Mei 1941 werd een verzoek met denzelfden inhoud
gericht aan den Heer Directeur van het Marktwezen. Op 27 Mei
werd mij onder No.66/11/2 M. bericht, dat aan dit verzoek
niet kan worden voldaan.
Daar ik evenwel, om reden dat de opbrengst mijner zaak
alle onkosten, die niet strikt noodzakelijk zijn, moet ver-
mijden en ik de laatste maanden in het geheel geen gebruik
kan maken van bedoelde zolderruimte wegens gebrek aan handel
die eenige tijd bewaard moet worden, verzoekt ondergeteekende
U beleefd het daarheen te willen leiden, dat op de beslissing
van den Directeur van het Marktwezen worde teruggekomen en
mij alsnog de gevraagde ontheffing worde verleend.

Met hoogachting,
Uw.dw.dn.

w.g.J.Krant. In deze brief verzoekt Jacob Krant om de voortijdige beëindiging van zijn huurcontract voor een opslagruimte (een zolderpakhuis) bij de Centrale Markt in Amsterdam. De reden voor dit verzoek is van financieel-economische aard: de opbrengsten van zijn zaak zijn onvoldoende om niet-noodzakelijke kosten te dekken. Hij voert aan dat hij de ruimte de afgelopen maanden niet heeft kunnen gebruiken vanwege een "gebrek aan handel" (voorraad die langdurig opgeslagen moet worden).

Het betreft een formeel beroepschrift aan de Wethouder, nadat een eerder verzoek aan de Directeur van het Marktwezen op 27 mei 1941 was afgewezen. De toon is uiterst beleefd en ambtelijk ("Weled.Gestr.Heer", "het daarheen te willen leiden"). De brief is gedateerd op 6 juni 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De afzender, Jacob Krant (geboren in 1888), was een Joodse grossier. De Eemsstraat, waar hij woonde, lag in de Rivierenbuurt, een wijk waar in die tijd veel Joodse Amsterdammers woonden.

De economische nood waar Jacob Krant over spreekt, kan niet los worden gezien van de anti-Joodse maatregelen die de bezetter in 1941 in versneld tempo invoerde. Joodse ondernemers werden systematisch uit het economische leven verdrongen; hun handelsmogelijkheden werden ingeperkt en veel zaken werden onder toezicht van een 'Verwalter' gesteld of geliquideerd. Het "gebrek aan handel" was voor Joodse marktkooplieden en grossiers in deze periode een bittere realiteit door uitsluiting van leveranties en markten.

Uit archiefstukken (zoals het Joods Monument) blijkt dat Jacob Krant en zijn gezin de oorlog niet hebben overleefd. Hij werd in 1943 gedeporteerd en is vermoord in Sobibor. Dit document is een getuigenis van zijn pogingen om in de knellende bureaucratie van bezet Amsterdam het hoofd financieel boven water te houden.

Samenvatting

In deze brief verzoekt Jacob Krant om de voortijdige beëindiging van zijn huurcontract voor een opslagruimte (een zolderpakhuis) bij de Centrale Markt in Amsterdam. De reden voor dit verzoek is van financieel-economische aard: de opbrengsten van zijn zaak zijn onvoldoende om niet-noodzakelijke kosten te dekken. Hij voert aan dat hij de ruimte de afgelopen maanden niet heeft kunnen gebruiken vanwege een "gebrek aan handel" (voorraad die langdurig opgeslagen moet worden).

Het betreft een formeel beroepschrift aan de Wethouder, nadat een eerder verzoek aan de Directeur van het Marktwezen op 27 mei 1941 was afgewezen. De toon is uiterst beleefd en ambtelijk ("Weled.Gestr.Heer", "het daarheen te willen leiden").

Historische Context

De brief is gedateerd op 6 juni 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De afzender, Jacob Krant (geboren in 1888), was een Joodse grossier. De Eemsstraat, waar hij woonde, lag in de Rivierenbuurt, een wijk waar in die tijd veel Joodse Amsterdammers woonden.

De economische nood waar Jacob Krant over spreekt, kan niet los worden gezien van de anti-Joodse maatregelen die de bezetter in 1941 in versneld tempo invoerde. Joodse ondernemers werden systematisch uit het economische leven verdrongen; hun handelsmogelijkheden werden ingeperkt en veel zaken werden onder toezicht van een 'Verwalter' gesteld of geliquideerd. Het "gebrek aan handel" was voor Joodse marktkooplieden en grossiers in deze periode een bittere realiteit door uitsluiting van leveranties en markten.

Uit archiefstukken (zoals het Joods Monument) blijkt dat Jacob Krant en zijn gezin de oorlog niet hebben overleefd. Hij werd in 1943 gedeporteerd en is vermoord in Sobibor. Dit document is een getuigenis van zijn pogingen om in de knellende bureaucratie van bezet Amsterdam het hoofd financieel boven water te houden.

Kooplieden in dit dossier 10

Blei, meun, sneep en winde boven ½ kg en kroeskarper
Bot, andere dan Noordzeebot *0.15* [hs]
Edelkarper (levend) *0.45* [hs]
Grossiers en personeel f 642.-
A. Geboorte f. 9.600.-
P.H. Passchier " 4.160.-
Snoek en barbeel *0.12* [hs]
Voorn en kolblei beneden 20 cm en serpeling
M. Sicma *0.20* [hs]

Gerelateerde Documenten 6