Archief 745
Inventaris 745-362
Pagina 444
Dossier 24
Jaar 1941
Stadsarchief

Administratieve brief/kennisgeving.

10 juni 1941 (volgens rode aantekening) / 12 juni 1941 (stempel). De tekst verwijst naar een brief van 11 juni 1941. Van: Gemeente Amsterdam (Dienst van het Marktwezen). Aan: Den Heer Mr. P. J. Verdam, Curator.

Origineel

Administratieve brief/kennisgeving. 10 juni 1941 (volgens rode aantekening) / 12 juni 1941 (stempel). De tekst verwijst naar een brief van 11 juni 1941. Gemeente Amsterdam (Dienst van het Marktwezen). Den Heer Mr. P. J. Verdam, Curator. [Links boven in kader:]
BIJBLAD VAN:
M. No. 66/13/2 1941
DOORGEZONDEN: 12/6-'41.

[Links boven in rood potlood/inkt:]
66/13/3 II 10/6/41 [onleesbaar paraaf]

[Rechts boven:]
Den Heer Mr. P. J. Verdam
Curator enz.

[Hoofdtekst:]
In antwoord op Uw brief d.d. 11 Juni
j.l. (afd. S. 151) inzake faillissement van
Juda Abas, deel ik U mede, dat de Gemeente
Amsterdam (Dienst van het Marktwezen)
van Uw bovengenoemden Curandus heeft te
vorderen de Somma van zeven gulden en
acht en veertig cents (f 7.48), wegens nog
~~achterstallig~~ verschuldigd marktgeld
~~het jaar 1937~~ terzake van een door curandus
over het kalenderjaar 1937 bezette plaats in de
hal op de Centrale Markt alhier, ad f 500.- per
kalenderjaar. Ik verzoek U beleefd voor

[Links onder, gedrukt:]
Alg. Zaken Model No. 14
10.000-10-1937-1016 Het document is een zakelijke correspondentie tussen de Dienst van het Marktwezen van de gemeente Amsterdam en een curator, de heer Mr. P.J. Verdam. De gemeente maakt aanspraak op een bedrag van f 7,48 (zeven gulden en achtenveertig cent) uit de failliete boedel van Juda Abas.

Dit bedrag betreft openstaand marktgeld voor een standplaats in de hal van de Centrale Markt in Amsterdam over het jaar 1937. De jaarlijkse huurprijs voor zo'n plaats bedroeg f 500,-. Opvallend zijn de handmatige doorhalingen en correcties in de tekst ("verschuldigd" in plaats van "achterstallig"), wat wijst op een zorgvuldige administratieve formulering. De brief is gedateerd in juni 1941, vier jaar na de betreffende schuldperiode. Dit document moet worden gezien in de context van de vroege jaren van de Duitse bezetting van Nederland. Juda Abas was een Joodse marktkoopman in Amsterdam. In deze periode werden Joodse ondernemers systematisch uit het economische leven verdrongen door middel van anti-Joodse verordeningen, wat vaak leidde tot gedwongen faillissementen of liquidaties van hun zaken.

De curator, Mr. P.J. Verdam (Pieter Jacobus Verdam, die later minister van Binnenlandse Zaken en Commissaris van de Koningin in Utrecht zou worden), was in die tijd belast met de afwikkeling van dergelijke faillissementen. Het feit dat de gemeente in 1941 nog een relatief klein bedrag uit 1937 vordert, illustreert de nietsontziende bureaucratische afhandeling van Joodse bezittingen en schulden tijdens de bezetting. Uit archieven (zoals het Joods Monument) blijkt dat Juda Abas en zijn gezin de oorlog niet hebben overleefd; hij werd in 1943 in Sobibor vermoord. Dit geeft dit schijnbaar triviale administratieve briefje een diepe tragische lading.

Samenvatting

Het document is een zakelijke correspondentie tussen de Dienst van het Marktwezen van de gemeente Amsterdam en een curator, de heer Mr. P.J. Verdam. De gemeente maakt aanspraak op een bedrag van f 7,48 (zeven gulden en achtenveertig cent) uit de failliete boedel van Juda Abas.

Dit bedrag betreft openstaand marktgeld voor een standplaats in de hal van de Centrale Markt in Amsterdam over het jaar 1937. De jaarlijkse huurprijs voor zo'n plaats bedroeg f 500,-. Opvallend zijn de handmatige doorhalingen en correcties in de tekst ("verschuldigd" in plaats van "achterstallig"), wat wijst op een zorgvuldige administratieve formulering. De brief is gedateerd in juni 1941, vier jaar na de betreffende schuldperiode.

Historische Context

Dit document moet worden gezien in de context van de vroege jaren van de Duitse bezetting van Nederland. Juda Abas was een Joodse marktkoopman in Amsterdam. In deze periode werden Joodse ondernemers systematisch uit het economische leven verdrongen door middel van anti-Joodse verordeningen, wat vaak leidde tot gedwongen faillissementen of liquidaties van hun zaken.

De curator, Mr. P.J. Verdam (Pieter Jacobus Verdam, die later minister van Binnenlandse Zaken en Commissaris van de Koningin in Utrecht zou worden), was in die tijd belast met de afwikkeling van dergelijke faillissementen. Het feit dat de gemeente in 1941 nog een relatief klein bedrag uit 1937 vordert, illustreert de nietsontziende bureaucratische afhandeling van Joodse bezittingen en schulden tijdens de bezetting. Uit archieven (zoals het Joods Monument) blijkt dat Juda Abas en zijn gezin de oorlog niet hebben overleefd; hij werd in 1943 in Sobibor vermoord. Dit geeft dit schijnbaar triviale administratieve briefje een diepe tragische lading.

Kooplieden in dit dossier 10

Blei, meun, sneep en winde boven ½ kg en kroeskarper
Bot, andere dan Noordzeebot *0.15* [hs]
Edelkarper (levend) *0.45* [hs]
Grossiers en personeel f 642.-
A. Geboorte f. 9.600.-
P.H. Passchier " 4.160.-
Snoek en barbeel *0.12* [hs]
Voorn en kolblei beneden 20 cm en serpeling
M. Sicma *0.20* [hs]

Gerelateerde Documenten 6