Algemene voorwaarden behorende bij een huurovereenkomst.
Origineel
Algemene voorwaarden behorende bij een huurovereenkomst. Juli 1941 (gezien de datering "7-'41" linksonder). [Linkerkolom]
Voorwaarden.
Artikel 1.
Indien een van partijen deze overeenkomst niet op den laatsten dag van de maand, waarvoor zij is aangegaan, opzegt, wordt zij telkens voor een maand onder dezelfde conditien verlengd, met dien verstande, dat zij in elk geval, zonder dat eenige opzegging vereischt wordt, zal eindigen op den datum, waarop 9 maanden sedert den bovenvermelden datum van ingang der overeenkomst zijn verloopen.
Artikel 2.
De Verordening op de heffing en op de invordering van markt-, standplaats- en ventgelden en de Verordening op den dienst van het Marktwezen, vastgesteld bij besluit van den Gemeenteraad, d.d. 16 Mei 1934, het bepaalde sub XII in dat Raadsbesluit, benevens het Reglement op de Centrale Markt, vastgesteld bij besluit van Burgemeester en Wethouders, d.d. 5 October 1934, zooals deze Verordeningen, dat Raadsbesluit en dat Reglement thans luiden, benevens de eventueele wijzigingen, die daarin nog zullen worden aangebracht, zijn op deze overeenkomst van toepassing. De huurder kan aan deze overeenkomst geen rechten ontleenen, die met vorenbedoelde Verordeningen en met vorenbedoeld Reglement in strijd zijn.
Artikel 3.
De huurder aanvaardt het gehuurde in den staat, waarin het zich bij den aanvang der huur bevindt.
Het is den huurder niet geoorloofd eenige leiding, vertimmering of verandering in het gehuurde aan te brengen, zonder voorafgaande goedkeuring van den Directeur van het Marktwezen.
De Regeeringscommissaris is te allen tijde bevoegd in het gehuurde die wijzigingen te doen aanbrengen, welke hij noodzakelijk of wenschelijk acht.
Artikel 4.
De huurder mag zonder schriftelijke toestemming van den Directeur van het Marktwezen, het gehuurde niet geheel of gedeeltelijk aan anderen verhuren of in gebruik geven.
Artikel 5.
Het onderhoud van het gebouw en van aan de verhuurster toebehoorenden inventaris, is voor rekening der verhuurster; het herstel van eventueel gebroken ruiten en van leidingen is voor rekening van den huurder, die voorts verplicht is het gehuurde in behoorlijken staat van reinheid te onderhouden, zulks ten genoegen van den Directeur van het Marktwezen. De huurder is aansprakelijk voor alle schade, die aan het gehuurde wordt toegebracht en is verplicht het bedrag dier schade op aanschrijving van verhuurster onmiddellijk te voldoen, tenzij hij bewijst, dat de schade niet door nalatigheid of gebrek aan toezicht zijnerzijds is veroorzaakt.
C.S. Stadhuis
A'dam, 7-'41.
[Rechterkolom]
--2--
Artikel 6.
De kosten van het gebruik van gas en electriciteit zijn voor rekening van den huurder.
De kosten van waterverbruik zijn voor rekening van verhuurster.
Artikel 7.
De huurder is verplicht te allen tijde toegang te verleenen tot het gehuurde aan het personeel der Gemeentediensten, die hebben te zorgen voor het in goeden staat houden van het gehuurde en van hetgeen van Gemeentewege is aangelegd; alsmede aan de Politie en de Brandweer, mits de betreffende personen zich behoorlijk legitimeeren.
Artikel 8.
Het toezicht op het gebruik van het gehuurde en van hetgeen daarin aan Gemeente-eigendommen aanwezig is, zoowel als op de naleving der bepalingen van deze overeenkomst, berust, onder den Regeeringscommissaris, bij den Directeur van het Marktwezen. De Regeeringscommissaris, de Wethouders, de Directeur van het Marktwezen en de door dezen aan te wijzen personen hebben daartoe te allen tijde toegang tot het gehuurde.
Artikel 9.
De huurder mag geen reclamemiddel of aankondiging te zijnen behoeve of ten behoeve van derden, aan of op het gehuurde aanbrengen zonder schriftelijke toestemming van den Directeur van het Marktwezen. De Gemeente behoudt zich het recht van het aanbrengen van reclamemiddelen uitdrukkelijk voor; de huurder is verplicht, al hetgeen de Regeeringscommissaris daartoe noodig oordeelt, in, aan of op het gehuurde toe te laten, voor zoover hierdoor geen belangen van den huurder worden geschaad.
Artikel 10.
De huurder zal voor het tijdelijk gemis van het gebruik van het gehuurde of van een deel van het gehuurde, uit welke oorzaak ook, geen recht hebben op schadevergoeding van de zijde der verhuurster.
Artikel 11.
Bij wanbetaling der huurpenningen of bij nalatigheid of handeling in strijd met deze overeenkomst heeft de Gemeente het recht de huur onmiddellijk als geëindigd te beschouwen en den huurder wegens geëindigde huur tot ontruiming van het gehuurde in rechte te vervolgen, zonder dat het noodig zal zijn den huurder door een sommatie of soortgelijke akte in gebreke te stellen, zullende deze door het enkel verloop van den vastgestelden betalingstermijn of de enkele strijdige handeling reeds geacht worden in gebreke te zijn.
Artikel 12.
In alle gevallen waarin deze overeenkomst niet voorziet ligt de beslissing bij den Regeeringscommissaris, wiens uitspraak bindend is.
Artikel 13.
De huurder kiest gedurende den geheelen duur der overeenkomst domicilie in het gehuurde. Het document bevat de algemene bepalingen voor een huurcontract tussen de Gemeente Amsterdam en een private partij (de huurder). De kernpunten zijn:
* Strikte regelgeving: Er wordt expliciet verwezen naar gemeentelijke verordeningen uit 1934 betreffende het "Marktwezen" en de "Centrale Markt".
* Onderhoudsverdeling: De gemeente (verhuurster) draagt zorg voor het gebouw en de inventaris, terwijl de huurder verantwoordelijk is voor glasherstel, leidingen en algemene reinheid.
* Controle: Er is sprake van een verregaand recht op toegang en toezicht door gemeentelijke functionarissen en ordediensten.
* Sancties: Artikel 11 biedt de gemeente een zeer kortstondige procedure om de huur te beëindigen en tot ontruiming over te gaan bij wanbetaling, zonder dat daarvoor een formele ingebrekestelling nodig is. Dit document stamt uit juli 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Dit is historisch relevant vanwege de term "Regeeringscommissaris" die herhaaldelijk in de tekst voorkomt (o.a. Artikel 3, 8, 9 en 12).
In de bezettingstijd werden democratische organen zoals de gemeenteraad vaak buitenspel gezet of onder toezicht geplaatst van een door de bezetter aangestelde commissaris. Hoewel de tekst verwijst naar verordeningen uit 1934, is de bestuurlijke structuur waarin de "Regeeringscommissaris" de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid heeft (Artikel 12) kenmerkend voor de autoritaire bestuursvorm tijdens de oorlogsjaren in Amsterdam (onder regie van regeringscommissaris Edward Voute). Het document illustreert hoe de gemeentelijke bureaucratie en het beheer van markten werden voortgezet onder het regime van de bezetter.