Archief 745
Inventaris 745-364
Pagina 310
Jaar 1941
Stadsarchief

Proces-verbaal (vervolgblad, pagina 2).

27 augustus 1941.

Origineel

Proces-verbaal (vervolgblad, pagina 2). 27 augustus 1941. -2-

Eenige oogenblikken daarna zagen wij, dat een jongen, waarvan ons later bleek, dat hij een zoon was van Stodel voornoemd, aan Reesen vijf manden met pruimen overhandigde en die ook op bedoelde bakfiets plaatste. Verbalisant Schiermeier en een knecht van Beugel, genaamd H.M.J. Brachthuizer, constateerden, dat deze manden door Stodel aan bedoelde jongen waren gegeven, die ze op zijn beurt weer aan Reesen overhandigde.
Wij, verbalisanten, hebben daarop Stodel, Reesen en den zoon van Stodel staande gehouden.
Stodel, die desgevraagd opgaaf te zijn genaamd:
ARON STODEL,
geboren te Amsterdam 18 September 1898, van beroep koopman, wonende Van Ostadestraat 275 I te Amsterdam, verklaarde als volgt: "Ik heb mij hedenmorgen, 27 Augustus 1941, met mijn compagnon Reesen, naar de markt begeven, met de bedoeling fruit te koopen. Nadat wij bij eenige andere grossiers hadden gekeken, zijn wij naar de hal van de firma Beugel gegaan en hebben daar onderhandeld over den verkoop van een partij pruimen. Ik kwam met een der firmanten Beugel tot overeenstemming over den koop van 25 manden met pruimen, waarvoor ik in het geheel ƒ 55,— betaalde, zijnde ƒ 42,50 voor het fruit en ƒ 12,50 als statiegeld voor de manden. Ik heb daarvoor een nota ontvangen. Daar ik nog tien manden met pruimen wilde koopen heb ik nogmaals onderhandeld, doch deze koop ging niet door, daar Beugel voor deze partij één cent meer wilde hebben per halve kilogram dan voor de andere partij. Na deze onderhandelingen heb ik mij weer in de hal begeven naar de plaats waar bedoelde pruimen stonden. Ik heb daarvan 5 manden met pruimen weggenomen en deze aan mijn zoon gegeven, met de opdracht deze naar de bakfiets te brengen. Het was mijn bedoeling deze direct of later aan Beugel te betalen. Ik ontken mij schuldig te hebben gemaakt aan diefstal van pruimen. Meer kan ik U niet verklaren."
Daarna hoorden wij, verbalisanten, Reesen voornoemd, die opgaaf te zijn genaamd:
JAN OTTO REESEN,
geboren te Amsterdam, 6 Juni 1913, van beroep koopman, wonende Quellijnstraat 157 I achter te Amsterdam, die het volgende verklaarde: "Ik ben hedenmorgen, 27 Augustus 1941 met mijn compagnon Stodel naar de markt gekomen met de bedoeling fruit te koopen. Na eenigen tijd op de markt bij verschillende grossiers te hebben gekeken, zijn wij naar de hal van de firma Beugel gegaan en heeft Stodel aldaar onderhandeld over den koop van een partij pruimen. Stodel heeft toen 25 manden pruimen gekocht en betaald, waarvoor hij een nota heeft ontvangen. Ik weet niet dat Stodel daarna nog heeft onderhandeld over den koop van 10 manden met pruimen. Na het laden van de 25 door Stodel gekochte 25 manden met pruimen op de bakfiets heb ik deze buiten de hal geplaatst. Nadat ik even daar gestaan had, heb ik uit handen van Stodel 8 manden met pruimen aangenomen en ook deze op de bakfiets geplaatst. Ik weet van den koop van deze 8 manden met pruimen niets af. Stodel heeft het geld bij zich om te koopen en heb ik hiermede niets te maken. Meer kan ik U niet verklaren."
Daarna hoorden wij, verbalisanten, de zoon van Stodel voornoemd, die opgaaf te zijn genaamd:
ARON STODEL Jr.,
oud 16 jaar, zonder beroep, wonende Van Ostadestraat 275 I te Amsterdam, ten huize van zijn ouders, die ons het volgende verklaarde: "Ik ben hedenmorgen 27 Augustus 1941 op de markt gekomen om voor mijn patroon, G. Ooievaar, een ledig fust in te leveren bij de firma Beugel. Nadat ik dit gedaan had, zag ik mijn vader in het pakhuis staan. Mijn vader vroeg mij, vijf manden met pruimen op de bakfiets te plaatsen, hetgeen ik voor hem heb gedaan. Ik zag, dat mijn vader een bankbiljet van ƒ 25,— in zijn hand had, doch ik weet niet of hij daarmede handel... Dit document is een getuigenverklaring en verhoorverslag in een zaak van vermoedelijke verduistering of diefstal. De kern van het incident draait om een transactie bij de firma Beugel op de markt (waarschijnlijk de Centrale Markthallen in Amsterdam).

  • De feiten: Aron Stodel kocht legaal 25 manden pruimen. Er ontstond onenigheid over een tweede partij van 10 manden vanwege een prijsverschil van één cent per pond. Stodel bekent dat hij vervolgens zelfstandig manden heeft gepakt zonder direct af te rekenen, met de bewering dat hij later wilde betalen.
  • Tegenstrijdigheden: Er is een opvallende discrepantie in de aantallen. Aron Stodel Sr. verklaart dat hij 5 manden heeft weggepakt. Zijn zoon bevestigt dat hij 5 manden op de fiets heeft gezet. Compagnon Reesen verklaart echter dat hij 8 manden van Stodel heeft aangenomen.
  • De verdediging: Stodel Sr. beroept zich op een gebrek aan criminele opzet ("Het was mijn bedoeling deze direct of later aan Beugel te betalen"), terwijl de zoon en de compagnon verklaren dat zij slechts instructies uitvoerden en niet op de hoogte waren van de (on)betaalde status van de extra manden. Het document dateert van 27 augustus 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Deze context is cruciaal om drie redenen:

  • Anti-Joodse maatregelen: De achternaam Stodel is een bekende Joodse naam in Amsterdam (veelal verbonden aan de antiekhandel en marktwezen). In de zomer van 1941 waren de anti-Joodse verordeningen al vergevorderd. Voor Joodse burgers hadden zelfs kleine vergrijpen of economische geschillen vaak buitenproportionele juridische gevolgen.

  • Economische controle: Tijdens de bezetting was er een streng toezicht op de distributie van voedsel en handel. "Zwarte handel" of onregelmatigheden op de markt werden door de bezetter en de Nederlandse politie (onder Duits toezicht) zwaar gestraft.
  • Locatie: De genoemde adressen (Van Ostadestraat en Quellijnstraat) bevinden zich in De Pijp, een buurt die destijds een aanzienlijke Joodse populatie kende en waar veel marktkooplieden woonden.

Samenvatting

Dit document is een getuigenverklaring en verhoorverslag in een zaak van vermoedelijke verduistering of diefstal. De kern van het incident draait om een transactie bij de firma Beugel op de markt (waarschijnlijk de Centrale Markthallen in Amsterdam).

  • De feiten: Aron Stodel kocht legaal 25 manden pruimen. Er ontstond onenigheid over een tweede partij van 10 manden vanwege een prijsverschil van één cent per pond. Stodel bekent dat hij vervolgens zelfstandig manden heeft gepakt zonder direct af te rekenen, met de bewering dat hij later wilde betalen.
  • Tegenstrijdigheden: Er is een opvallende discrepantie in de aantallen. Aron Stodel Sr. verklaart dat hij 5 manden heeft weggepakt. Zijn zoon bevestigt dat hij 5 manden op de fiets heeft gezet. Compagnon Reesen verklaart echter dat hij 8 manden van Stodel heeft aangenomen.
  • De verdediging: Stodel Sr. beroept zich op een gebrek aan criminele opzet ("Het was mijn bedoeling deze direct of later aan Beugel te betalen"), terwijl de zoon en de compagnon verklaren dat zij slechts instructies uitvoerden en niet op de hoogte waren van de (on)betaalde status van de extra manden.

Historische Context

Het document dateert van 27 augustus 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Deze context is cruciaal om drie redenen:

  1. Anti-Joodse maatregelen: De achternaam Stodel is een bekende Joodse naam in Amsterdam (veelal verbonden aan de antiekhandel en marktwezen). In de zomer van 1941 waren de anti-Joodse verordeningen al vergevorderd. Voor Joodse burgers hadden zelfs kleine vergrijpen of economische geschillen vaak buitenproportionele juridische gevolgen.
  2. Economische controle: Tijdens de bezetting was er een streng toezicht op de distributie van voedsel en handel. "Zwarte handel" of onregelmatigheden op de markt werden door de bezetter en de Nederlandse politie (onder Duits toezicht) zwaar gestraft.
  3. Locatie: De genoemde adressen (Van Ostadestraat en Quellijnstraat) bevinden zich in De Pijp, een buurt die destijds een aanzienlijke Joodse populatie kende en waar veel marktkooplieden woonden.

Locaties

Amsterdam (markt/groothandel).

Gerelateerde Documenten 6