Proces-verbaal / Rapport van de keuringsdienst/marktwezen.
Origineel
Proces-verbaal / Rapport van de keuringsdienst/marktwezen. 16 oktober 1941. R A P P O R T
Op Woensdag 15 October 1941, omstreeks 9.30 uur v.m, werd mij, ondergetekende controleur, door Barend van Dijk medegedeeld, dat op Dinsdag 14 October omstreeks 3.30 uur n.m, een hem onbekend persoon bij hem, Barend van Dijk, 68 nieuwe boonenzakjes, gemerkt "48--C.C.T-T.A.& O.G.A", heeft ingeleverd op naam van kooper J.W.Nijman. Daar van Dijk deze zaak niet vertrouwde, heeft hij aan den bezorger van de boonenzakjes wel een emballagebon ter waarde van f 15,64 uitgereikt, doch niet het statiegeld uitbetaald. Dit moest Nijman zelf in ontvangst komen nemen. Heden morgen, aldus van Dijk, verscheen de knecht van bedoelde Nijman met den emballagebon, doch weigerde het geld te ontvangen daar de besproken zakjes niet van zijn baas afkomstig waren, reden waarom hij den emballagebon aan van Dijk heeft terug gegeven. Naar aanleiding van deze mededeeling, heb ik, rapporteur, op aanwijzing van Van Dijk op het terrein van de Centrale Markt aangehouden een persoon die mij later desgevraagd opgaf te zijn genaamd: FRANS HOOPMAN geboren te Amsterdam 17 Mei 1914, betonwerker en wonende 2e Naasaustraat 12-~~xxxx~~ alhier, die mij desgevraagd als volgt verklaarde; "Op Woensdag 8 October j.l, omstreeks 12,30 uur n.m, zat ik in de gemeente vrouwenakker aan de Amstel met een hengel te visschen, toen een mij onbekend persoon, die op een fiest was komen aanrijden, met mij een praatje begon. Nadat wij eenige oogenblikken met elkaar hadden gepraat, vroeg de man mij, of ik van hem een partijtje nieuwe zakjes wilde koopen. Naar hij mij verklaarde, zou ik voor elk zakjes minstens een kwartje kunnen krijgen, terwijl hij voor veel minder de zakjes aan mij over wilde doen. Hierop toonde hij mij een partijtje nieuwe zakjes, welke hij op het stuur van zijn fiets had liggen. Naar hij verklaarde waren het 70 zakjes, waarvoor hij f 10, moest hebben. Het was mij echter te duur, doch toen hij ze mij te koop aanbood voor f 7,50 en mij verklaarde, dat ik overal kon inleveren voor een kwartje pers stuk, heb ik de zakjes van hem overgenomen. Op Dinsdag 14 October j.l, heb ik mij naar de groentenzaak van den mij bekenden J.W. Nijman begeven [marge: Jan Evertsenstr: 90] en vroeg aan diens knecht, die juist voor de winkel bezig was, of zijn baas misschien een partij boonenzakjes van mij wilde koopen. Bedoelde knecht verklaarde mij echter dat zijn baas nooit geen zakjes kocht. Hierop heb ik mij later met de partij zakjes naar de Centrale Markt begeven en ze aldaar op naam van Nijman ingeleverd bij Van Dijk op pier C. Bij informatie was ik namelijk te weten gekomen, dat van Dijk gangbaar ledige zakken in ontvangst neemt. Van Dijk weigerde mij echter het statiegeld uit te betalen en deelde mij mij mede, dat Nijman dit zelf moest komen halen. Ik ben echter niet naar Nijman toegegaan doch heb des morgens voor het aanvangen van de markt de emballabon aan den knecht van Nijman overgegeven met het verzoek het statiegeld voor mij te ontvangen. Zooals ik later vernam heeft hij wel de bon aan van Dijk overgegeven doch het geld niet aangenomen. Ik had van Nijman geen toestemming gekregen de zakjes op zijn naam in te leveren. Op welke wijze de man, die mij de zakjes verkocht had, hieraan was gekomen, weet ik niet."
Hierna heb ik, rapporteur, met Hoopman naar het pakhuis van Van Dijk begeven en aan hem de door van Dijk ontvangen zakjes vertoond. Hoopman herkende ze als de door hem ingeleverden. De zakjes heb ik, ten behoeve van een nader onderzoek, voorloopig inbeslaggenomen. Tevens heb ik inbeslaggenomen van Barend van Dijk een emballagebon genummerd 12252nten name van Nijman, en ter waarde van f 15,64.
Naar aanleiding van het vorenstaande heb ik nog gehoord Cornelis Blokker, oud 26 jaar, personeel bij kooper J.W. Nijman, wonende Marco Polostraat 237 alhier die mij bevestigde hetgeen door Hoopman was verklaard. Ook Blokker had het geval niet vertrouwd en daarom de emballagebon van Hoopman aangenomen doch deze zonder meer aan van Dijk teruggegeven.
Vervolgens heb ik, rapporteur, mij in verbinding gesteld met den gemeente veldwachter te Langeraar, aangezien de besproken zakjes waarschijnlijk afkomstig zijn van de Veiling van Ter Aar. Op verzoek van den gemeenteveldwachter heb ik per expresse een zakje verzonden naar Langeraar en zal door hem aldaar een onderzoek worden ingesteld. In afwachting hiervan houd ik de door mij inbeslaggenomen voorwerpen voorloopig in mijn bezit. Na door mij te zijn gehoord, heb ik Hoopman heengezonden. En heb ik hiervan dit rapport opgemaakt te Amsterdam 16 October 1941.
Den Heer Bedrijfschef v/h Marktwezen.
De Controleur,
[Handtekening: F. Eltham(?)]
Aanteekeningen in de kantlijn/onderaan:
* [Links in cirkel]: Hoe is deze man op de markt gekomen?
* [Links onder]: Hoopman heeft geen kaart.
* [Midden onder]: Hoe komt Hoopman op de Markt? Aan Hoopman werd verklaard [onleesbaar]
* [Rechts onder]: Z.O.Z. (Zie Ommezijde) Dit rapport beschrijft een onderzoek naar een verdachte transactie van verpakkingsmateriaal (boonenzakjes) tijdens de Duitse bezetting. Frans Hoopman wordt ervan verdacht gestolen goederen te helen. Zijn verklaring – dat hij de zakken voor een prikkie van een vreemdeling langs de weg kocht terwijl hij aan het vissen was – is een klassiek "smoesje" bij heling.
De alertheid van de handelaar Barend van Dijk en de knecht Cornelis Blokker valt op; zij vertrouwden de zaak niet omdat de zakken ongebruikelijk nieuw waren en op naam van een ander werden aangeboden. De markering "48--C.C.T-T.A.& O.G.A" wijst op een specifieke herkomst, vermoedelijk de veiling in Ter Aar. Het document toont de bureaucratische nauwkeurigheid van het Amsterdamse Marktwezen in die tijd. In 1941, onder het regime van de Duitse bezetter, was er sprake van toenemende schaarste en distributiebonnen. Verpakkingsmaterialen zoals jute zakken waren kostbaar en essentieel voor de voedselvoorziening. Handel buiten de officiële kanalen om ("zwarte handel") werd streng gecontroleerd. De Centrale Markt in Amsterdam (het huidige Food Center terrein) was een streng bewaakte plek waar men alleen met een officiële pas (de "kaart" waar in de kantlijn naar verwezen wordt) mocht komen. De vraag "Hoe is deze man op de markt gekomen?" suggereert een gat in de beveiliging van het terrein.