Dienstbrief van het Gemeentelijk Bureau voor Sociale Zaken Amsterdam.
Origineel
Dienstbrief van het Gemeentelijk Bureau voor Sociale Zaken Amsterdam. 4 februari 1942. De Directeur voor Sociale Zaken (Amsterdam). [Stempel bovenkant:] Nº 1/171/M. 1942 6/2 174
[Logo:] Wapen van Amsterdam
Verzoeke bij Uw antwoord datum en nummer van dezen brief te vermelden
No. ............................................................................
Lett. ...........................................................................
Bijlagen ...................................................................
Amsterdam, 4 Februari 1942 [stempel]
Gemeentelijk Bureau voor ~~Maatschappelijken Steun~~ Sociale Zaken
[Handgeschreven:]
Aan den Heer Directeur v. h.
Marktwezen,
Jan v. Galenstr. 14,
Alhier W.
[Handgeschreven aantekeningen rechts:]
nu Fin.
distr [onleesbaar]
Th
Bij het Gemeentelijk Bureau voor Sociale Zaken is thans gevormd een nieuwe Afdeeling J (Joodsche) waarheen geleidelijk zullen worden overgebracht alle bemoeienissen, die het Bureau heeft met de niet-arische inwoners van deze Gemeente.
De afdeeling is gevestigd in het perceel Nieuwe Kerkstraat 126. De voorloopige telefonische aansluitingen zijn:
55657 Hoofd Afdeeling
55708 Administratie
55580 } Buitendienst-
55426 } ambtenaren
De verzorging van alle Joodsche Armenwet-gesteunden (de z.g. districtspartijen) inclusief de blinden en de gezinnen, die bijzondere verzorging genieten, is thans reeds opgedragen aan deze afdeeling, welke dus alleen over deze gesteunden inlichtingen kan verstrekken.
DE DIRECTEUR VOOR SOCIALE ZAKEN,
[Handtekening]
No. 497 Dit document is een formele kennisgeving van de gemeente Amsterdam over de segregatie van haar ambtelijke diensten tijdens de Duitse bezetting. Het kondigt de oprichting aan van "Afdeeling J (Joodsche)", een specifiek loket binnen de sociale dienst voor Joodse Amsterdammers.
De tekst is zakelijk en bureaucratisch van toon, maar de implicaties zijn verstrekkend: door de administratie van "niet-arische" inwoners te centraliseren en fysiek te verplaatsen naar de Nieuwe Kerkstraat (midden in de Joodse buurt), faciliteerde de gemeente de uitsluiting en latere registratie van Joodse burgers. Het specifiek noemen van "Armenwet-gesteunden" en blinden onderstreept dat ook de meest kwetsbare groepen direct werden getroffen door deze administratieve afzondering. In februari 1942, bijna twee jaar na het begin van de bezetting, was de vervolging van de Joodse bevolking in een stroomversnelling geraakt. De term "niet-arische inwoners" was een direct resultaat van de rassenwetten die de bezetter had ingevoerd. De gemeente Amsterdam werkte, deels onder dwang en deels uit ambtelijke volgzaamheid, mee aan het isoleren van de Joodse bevolking.
Afdeeling J werd onderdeel van een netwerk aan maatregelen (zoals de Jodenster en de invoering van het Joodse kwartier) die bedoeld waren om Joden volledig uit het openbare leven te verwijderen. De vestiging aan de Nieuwe Kerkstraat 126 bevond zich in het hart van de oude Joodse buurt, die door de bezetter steeds meer als een getto werd behandeld. Slechts enkele maanden na deze brief zouden de grootschalige deportaties naar de kampen beginnen.