Brief (verklikkerbrief/klacht)
Origineel
Brief (verklikkerbrief/klacht) 16 augustus 1942 Een anonieme "bewoonster Linæushof" Amsterdam 16 Aug: 42
Mijne heeren
Hier mede deel ik u mede dat de groente handelaar
Botman - Linæushof 8 Am: Oost zaterdag bij zijn
partij groente ook eenige kisten spercibonen
had die hij dadelijk in de keuken zetten. Op ons
aller vraag naar spercibonen zei hij: die verkoop
ik van middag (het was al 1 uur) maar niemand
van de wachtende klanten heeft ook maar 's middags
pontje van de 2 of 3 kisten gekregen. Daar ik zelf
op het Linæushof woon heb ik gezien dat tot laat
in de avond zijn knechtjes partijen boonen
weg brachten. De bedoeling van dit schrijven is:
dat bij de volgende partij groente een controleur is
om de klandistine handel tegen te gaan.
Ook neemt hij zoo lang er roode en savvije
kool is 20 cent per kilo zoo dat een kooltje
van 4 pond f 0,40 cent kost.
Nooit zien wij ook één bosje wortelen
Hoog Achten bewoonster Linæushof.
[Stempel onderaan:]
No 21/70/1 M. 1942 18/8 De brief is een direct bewijs van de spanningen in de Amsterdamse samenleving tijdens de Duitse bezetting. De schrijfster, een bewoonster van het Linnaeushof, beschuldigt haar lokale groenteman (Botman) van drie zaken:
1. Achterhouden van goederen: Hij zou sperziebonen direct naar de keuken hebben verplaatst in plaats van ze te verkopen aan de wachtende klanten.
2. Clandestiene handel: De bonen zouden 's avonds laat door zijn personeel elders zijn bezorgd, vermoedelijk op de zwarte markt tegen hogere prijzen.
3. Prijsopdrijving: De handelaar zou 20 cent per kilo vragen voor kool, wat de schrijfster als buitensporig ervaart (4 pond voor 40 cent).
De schrijfster vraagt expliciet om een "controleur" om in te grijpen bij de volgende levering. De toon is formeel en getuigt van een diep gevoel van onrechtvaardigheid door de schaarste. In augustus 1942 was de Tweede Wereldoorlog in volle gang en was de voedselschaarste in Nederland al goed voelbaar. Het distributiesysteem was streng gereguleerd met bonkaarten. Winkeliers die goederen "onder de toonbank" verkochten of achterhielden voor de zwarte markt, waren een doorn in het oog van burgers die uren in de rij stonden voor hun rantsoen.
Dergelijke verklikkerbrieven werden vaak gestuurd naar de Prijsbeheersing of de Crisis Controle Dienst (CCD). Hoewel verraad vaak geassocieerd wordt met politieke motieven (zoals het aangeven van Joden of verzetsmensen), was een zeer groot deel van de correspondentie aan de autoriteiten tijdens de oorlog gericht op economische delicten en voedselvoorziening, gedreven door honger, jaloezie of een verlangen naar eerlijke verdeling.
Samenvatting
De brief is een direct bewijs van de spanningen in de Amsterdamse samenleving tijdens de Duitse bezetting. De schrijfster, een bewoonster van het Linnaeushof, beschuldigt haar lokale groenteman (Botman) van drie zaken:
1. Achterhouden van goederen: Hij zou sperziebonen direct naar de keuken hebben verplaatst in plaats van ze te verkopen aan de wachtende klanten.
2. Clandestiene handel: De bonen zouden 's avonds laat door zijn personeel elders zijn bezorgd, vermoedelijk op de zwarte markt tegen hogere prijzen.
3. Prijsopdrijving: De handelaar zou 20 cent per kilo vragen voor kool, wat de schrijfster als buitensporig ervaart (4 pond voor 40 cent).
De schrijfster vraagt expliciet om een "controleur" om in te grijpen bij de volgende levering. De toon is formeel en getuigt van een diep gevoel van onrechtvaardigheid door de schaarste.
Historische Context
In augustus 1942 was de Tweede Wereldoorlog in volle gang en was de voedselschaarste in Nederland al goed voelbaar. Het distributiesysteem was streng gereguleerd met bonkaarten. Winkeliers die goederen "onder de toonbank" verkochten of achterhielden voor de zwarte markt, waren een doorn in het oog van burgers die uren in de rij stonden voor hun rantsoen.
Dergelijke verklikkerbrieven werden vaak gestuurd naar de Prijsbeheersing of de Crisis Controle Dienst (CCD). Hoewel verraad vaak geassocieerd wordt met politieke motieven (zoals het aangeven van Joden of verzetsmensen), was een zeer groot deel van de correspondentie aan de autoriteiten tijdens de oorlog gericht op economische delicten en voedselvoorziening, gedreven door honger, jaloezie of een verlangen naar eerlijke verdeling.