Afschrift van een ambtelijke correspondentie.
Origineel
Afschrift van een ambtelijke correspondentie. 23 maart 1942. De Wethouder voor de Arbeidszaken. De Wethouder voor de Levensmiddelen. No.3/2/4 M.1942 25/3 AFSCHRIFT.
No.289 L.M.1942 No.433 Arb.1942.
Hierbij heb ik de eer deze stukken weder te doen toekomen aan den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen onder mededeeling, dat ik, alvorens in dezen advies te geven, gaarne het antwoord van den Directeur zal ontvangen op de vragen, welke U op het rapport heeft gesteld.
Amsterdam, 23 Maart 1942.
De Wethouder voor de
Arbeidszaken.
Vragen gesteld op rapport No.3/2/3 M. d.d. 10 Maart 1942:
1e. Had de contrôleur kunnen urineeren voor hij van huis ging.
2e. Is het mij onbegrijpelijk, dat hij deze diefstal heeft laten plaatsvinden. Men kan vanuit een urinoir 't rijwiel in 't oog houden. Dit document is een ambtelijk "afschrift" (doorslag) van een brief tussen twee Amsterdamse wethouders tijdens de Tweede Wereldoorlog. De toon is enerzijds uiterst formeel ("ik heb de eer"), maar de inhoud onderaan het document is opvallend triviaal en streng.
Het betreft een incident waarbij een 'contrôleur' (waarschijnlijk een inspecteur van de crisiscontroledienst of de voedselvoorziening) zijn fiets is kwijtgeraakt door diefstal. De Wethouder voor de Arbeidszaken reageert op een eerder rapport (van 10 maart 1942) en stelt twee uiterst kritische vragen over het gedrag van de ambtenaar.
De vragen suggereren dat de ambtenaar nalatig is geweest: hij had zijn behoefte maar thuis moeten doen, en als hij dan toch naar een publiek urinoir moest, had hij zijn fiets maar beter in de gaten moeten houden. De bureaucratische precisie waarmee deze details over urineren worden besproken in een officiële correspondentie tussen wethouders is opmerkelijk. Ten tijde van dit schrijven (maart 1942) stond Nederland onder Duitse bezetting. Amsterdam had een pro-Duitse of collaborerende leiding in het college van wethouders.
In de oorlogsjaren waren rijwielen (fietsen) schaars en kostbaar bezit vanwege het gebrek aan rubber voor banden en de vordering van vervoermiddelen door de bezetter. Voor een gemeenteambtenaar was een fiets essentieel voor de uitvoering van zijn taken. Het verlies van een dienstfiets werd de ambtenaar dan ook zwaar aangerekend.
De documentatie toont de nietsontziende controledrift en het gebrek aan empathie binnen het ambtelijk apparaat tijdens de bezettingsjaren, waarbij zelfs de meest basale menselijke behoeften van ondergeschikten onderwerp werden van ambtelijke tucht.
Samenvatting
Dit document is een ambtelijk "afschrift" (doorslag) van een brief tussen twee Amsterdamse wethouders tijdens de Tweede Wereldoorlog. De toon is enerzijds uiterst formeel ("ik heb de eer"), maar de inhoud onderaan het document is opvallend triviaal en streng.
Het betreft een incident waarbij een 'contrôleur' (waarschijnlijk een inspecteur van de crisiscontroledienst of de voedselvoorziening) zijn fiets is kwijtgeraakt door diefstal. De Wethouder voor de Arbeidszaken reageert op een eerder rapport (van 10 maart 1942) en stelt twee uiterst kritische vragen over het gedrag van de ambtenaar.
De vragen suggereren dat de ambtenaar nalatig is geweest: hij had zijn behoefte maar thuis moeten doen, en als hij dan toch naar een publiek urinoir moest, had hij zijn fiets maar beter in de gaten moeten houden. De bureaucratische precisie waarmee deze details over urineren worden besproken in een officiële correspondentie tussen wethouders is opmerkelijk.
Historische Context
Ten tijde van dit schrijven (maart 1942) stond Nederland onder Duitse bezetting. Amsterdam had een pro-Duitse of collaborerende leiding in het college van wethouders.
In de oorlogsjaren waren rijwielen (fietsen) schaars en kostbaar bezit vanwege het gebrek aan rubber voor banden en de vordering van vervoermiddelen door de bezetter. Voor een gemeenteambtenaar was een fiets essentieel voor de uitvoering van zijn taken. Het verlies van een dienstfiets werd de ambtenaar dan ook zwaar aangerekend.
De documentatie toont de nietsontziende controledrift en het gebrek aan empathie binnen het ambtelijk apparaat tijdens de bezettingsjaren, waarbij zelfs de meest basale menselijke behoeften van ondergeschikten onderwerp werden van ambtelijke tucht.