Handgeschreven brief/verzoekschrift.
Origineel
Handgeschreven brief/verzoekschrift. 27 mei 1942 (27-5-42). J.H. de Kort, wonende aan de Goudsbloemstraat 154 I, Amsterdam. 27-5-42
M M
ondergeteekende
verzoekt beleefd hem
de hoogste toewyzing
te willen geven
daar ik altijd veel
gerookte aal heb
verkocht dat is
gemakkelijk te
informeeren want
alleen van
F. Tuip, Volendam
had ik 13½ percent
en van Wijnschenk
eenige percenten
K Visser en
Clooster Enkhuizen
bij voorbaat mijn dank
Hoogachtend
J H de Kort Regel No 424
W Goudsbloemstr 154 I In deze korte brief verzoekt de heer J.H. de Kort om een hogere "toewijzing" (quotum) van gerookte aal (paling). Hij voert als argument aan dat hij van oudsher een grote afnemer was bij bekende visrokerijen en handelaren.
Om zijn verzoek kracht bij te zetten, noemt hij specifieke namen van leveranciers:
* F. Tuip uit Volendam: waarvan hij naar eigen zeggen 13,5 procent van de afzet (of een vergelijkbare maatstaf) afnam.
* Wijnschenk: een andere genoemde bron.
* K. Visser en Clooster uit Enkhuizen: destijds gerenommeerde namen in de IJsselmeer-visserijsector.
De afzender geeft aan dat zijn beweringen eenvoudig te verifiëren ("informeeren") zijn bij deze partijen. De brief eindigt met zijn naam, een registratienummer (Regel No 424) en zijn adres in de Amsterdamse Jordaan. De brief dateert uit mei 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was er sprake van toenemende schaarste en werd de distributie van levensmiddelen, waaronder vis, strikt gereguleerd door de overheid via Rijksbureaus (zoals het Rijksbureau voor de Voedselvoorziening in Oorlogstijd).
Handelaren kregen een 'toewijzing' of quotum gebaseerd op hun omzetcijfers uit de periode vóór de oorlog of het begin van de bezetting. Voor veel kleine zelfstandigen, zoals visboeren of ambulante handelaren uit de Jordaan, was het verkrijgen van een voldoende toewijzing cruciaal om hun bedrijf draaiende te houden. De genoemde firma's in Volendam en Enkhuizen waren de belangrijkste knooppunten voor de palinghandel rond het IJsselmeer. Het document illustreert de bureaucratische strijd van individuele handelaren om te overleven in de gecontroleerde oorlogseconomie. F. Tuip J.H. de Kort K. Visser Rijksbureau
Samenvatting
In deze korte brief verzoekt de heer J.H. de Kort om een hogere "toewijzing" (quotum) van gerookte aal (paling). Hij voert als argument aan dat hij van oudsher een grote afnemer was bij bekende visrokerijen en handelaren.
Om zijn verzoek kracht bij te zetten, noemt hij specifieke namen van leveranciers:
* F. Tuip uit Volendam: waarvan hij naar eigen zeggen 13,5 procent van de afzet (of een vergelijkbare maatstaf) afnam.
* Wijnschenk: een andere genoemde bron.
* K. Visser en Clooster uit Enkhuizen: destijds gerenommeerde namen in de IJsselmeer-visserijsector.
De afzender geeft aan dat zijn beweringen eenvoudig te verifiëren ("informeeren") zijn bij deze partijen. De brief eindigt met zijn naam, een registratienummer (Regel No 424) en zijn adres in de Amsterdamse Jordaan.
Historische Context
De brief dateert uit mei 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was er sprake van toenemende schaarste en werd de distributie van levensmiddelen, waaronder vis, strikt gereguleerd door de overheid via Rijksbureaus (zoals het Rijksbureau voor de Voedselvoorziening in Oorlogstijd).
Handelaren kregen een 'toewijzing' of quotum gebaseerd op hun omzetcijfers uit de periode vóór de oorlog of het begin van de bezetting. Voor veel kleine zelfstandigen, zoals visboeren of ambulante handelaren uit de Jordaan, was het verkrijgen van een voldoende toewijzing cruciaal om hun bedrijf draaiende te houden. De genoemde firma's in Volendam en Enkhuizen waren de belangrijkste knooppunten voor de palinghandel rond het IJsselmeer. Het document illustreert de bureaucratische strijd van individuele handelaren om te overleven in de gecontroleerde oorlogseconomie.