Handgeschreven brief (verzoekschrift/klacht).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift/klacht). 30 mei 1942 (gebaseerd op stempel onderaan). Mijnheer R.
Bij deze zou ondergetekende gaarne in aanmerking komen
voor eene dubbele toewijzing, aangezien ik nu als
winkelier of Stalhouder aangewezen ben, en dus niet meer
kan venten. Voordien deed mijn vrouw de winkel en
was ik op de straat, dit behoort nu tot het verleden
dus moet ik het van de winkel hebben.
Maar nu ben ik op tuindorp Oostzaan alleen
overgebleven met een toewijzing van 20 p. aal, ergo
te kort voor een winkel die over blijft in een wijk met
1800 gezinnen.
Nu zou ik u willen vragen om een dubbele toe-
wijzing, daar ik als bonafide vischandelaar (sinds 1923)
toch wel recht op meer te hebben, daar er op de
markt zijn die de laaste 2 à 3 jaar visman zijn en ook
een dubbele toewijzing hebben.
Daar het mij toch vreemd voorkomt dat er twee
overloope zijn met een dubbele toewijzing, en die
voor de oorlog 9 van de 12 maanden steun hebben.
Dat een z. Persoon de laaste 5 jaren Haringman nu
voor aal in aanmerking komt.
Dat eene Maconi nu aal krijgt en voor 1 ½ jaar
geleden nog visschoonmaker was in de St. Katelijne
Dat er huizer boertjes zijn die voor de oorlog 10 p aal te
koop hadden en nu 40 ontvangen.
Dat een zekere jansen ook Haringman nu ook aal krijgt.
Dat een dossier S die vroeger 20 a 30 pond aal per dag
verkocht, nu 80 pond aal krijgt, en die is toch ook maar
marktkoopman, en ik als winkelier krijg maar 20 pond.
Nu wil ik niet dat het die menschen afgenomen
word dat ik het dan krijg dat niet, maar ik
als winkelier bonafide vischandelaar meen ik toch
recht te hebben om gelijk te staan met niet bonafide.
No 46A/248/1 M. 1942 30/5 J.V.L. In deze brief beklaagt een viswinkelier uit Tuindorp Oostzaan zich over de scheve verhoudingen in de distributie van paling (aal) tijdens de Duitse bezetting. Sinds hij officieel als 'winkelier' is aangemerkt, mag hij niet meer langs de deuren venten en is hij volledig afhankelijk van de verkoop in zijn zaak. Hij voert aan dat zijn huidige toewijzing van 20 pond volstrekt onvoldoende is voor een wijk met 1800 gezinnen.
De schrijver hanteert een verongelijkte toon en noemt specifieke voorbeelden van concurrenten (zoals 'Maconi', 'Jansen' en 'Huizer boertjes') die volgens hem onterecht grotere hoeveelheden vis toegewezen krijgen. Hij benadrukt zijn status als "bonafide vischandelaar" sinds 1923 en zet zich af tegen "overloope" (waarschijnlijk gelukszoekers of mensen die pas kort in de branche zitten) en mensen die voor de oorlog afhankelijk waren van de "steun" (sociale uitkering). De brief dateert uit mei 1942, een periode waarin de schaarste in Nederland onder de Duitse bezetting steeds nijpender werd. De handel in levensmiddelen, waaronder vis, was strikt gereguleerd via een systeem van toewijzingen door rijksbureaus.
Tuindorp Oostzaan was een relatief geïsoleerde arbeiderswijk in Amsterdam-Noord. Het feit dat de schrijver spreekt over het verbod op venten, wijst op de toenemende centralisatie van de distributie: de bezetter en de Nederlandse distributieorganen wilden de goederenstroom controleren via vaste verkooppunten (winkels) in plaats van ambulante handel, om zwarte handel tegen te gaan. De brief geeft een inkijkje in de onderlinge nijd en de overlevingsstrijd van kleine ondernemers tijdens de oorlogsjaren.