Archiefdocument
Origineel
19 augustus 1942. No 46 A/20 3/3 M. 1942 20/P.
Amsterdam 19 Augustus 1942
Wel Edele Heer
Naar aanleiding van uw gesprek met
den Heer J. Helsloot op woensdag 5 Aug-
5 Augustus j.l. ben ik in de veronderstel-
ling dat u wel zult overtuigd zijn dat ik
allang een toewijzing voor visch al lang had
moeten hebben. Toen mij door J. Helsloot
dat gesprek werd mede gedeeld ben ik in
de veronderstelling, dat er nu wel een einde
het wachten zou komen. Maar is nu al-
wer veertien dagen overheen gegaan maar
ik hoor van uwentwege nog maar steeds niet.
Ik voor mij kan mij niet voorstellen wat
er tusschen zit dat ik maar steeds wordt
afgewezen dat nog te meer wijl men mij
In den Haag bij de Visscherij inspectie dan
niet onsimpatiek schijnt te wezen, mogelijk
is het daarom dat ik bij de Visscherij In-
spectie als visventer sta ingeschreven.
Ik ben nu al bezig van begin April
af wat men in den Haag goed vindt wordt
door de Amsterdamsche verdeelings Com-
missie afgekeurd. Ik voor mij ik heb mij
altijd voorgesteld dat de directie de lakens
uitdeelde doch eenige vischventers, men-
schen van de straat menschen die niet
het minste begrip van organizatie hebben De schrijver van deze brief, vermoedelijk een visventer, uit zijn diepe frustratie over de bureaucratische gang van zaken rondom de toewijzing van vis voor de verkoop. De kern van het conflict ligt in een discrepantie tussen de nationale autoriteiten ("In den Haag bij de Visscherij inspectie") en de lokale instantie ("de Amsterdamsche verdeelings Commissie").
Hoewel de inspectie in Den Haag schijnbaar akkoord is met zijn status als visventer, blokkeert de Amsterdamse commissie de feitelijke toewijzing al sinds april. De briefschrijver stoort zich met name aan het feit dat, in zijn ogen, ongekwalificeerde "menschen van de straat" binnen de commissie invloed lijken te hebben op de verdeling, in plaats van een centrale directie die de regels handhaaft ("de lakens uitdeelde"). De toon is formeel maar dwingend; de schrijver wijst op een eerder gesprek tussen een zekere heer J. Helsloot en de geadresseerde om zijn zaak kracht bij te zetten. Het document dateert van augustus 1942, midden in de Tweede Wereldoorlog tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was er sprake van schaarste en stond de handel in levensmiddelen, waaronder vis, onder streng toezicht van distributieorganen.
Handelaren hadden officiële vergunningen en toewijzingen nodig om goederen te mogen inkopen en verkopen. Dit leidde vaak tot wrijving tussen centrale organen in Den Haag en lokale distributiecommissies die hun eigen beleid voerden of waar corruptie en vriendjespolitiek op de loer lagen. De brief geeft een treffend beeld van de dagelijkse overlevingsstrijd van kleine zelfstandigen die verstrikt raakten in de bureaucratische mazen van het bezettingsbestuur. Het document lijkt onvolledig, daar het abrupt eindigt onderaan de pagina.