Handgeschreven brief (verzoekschrift/bezwaarschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift/bezwaarschrift). 22 oktober 1942. Een viskleinhandelaar (naam niet expliciet vermeld in deze pagina, maar hij refereert aan zijn vergunning N. 30 Serie 130). "Mynheer Directeur" (vermoedelijk van het Marktwezen of een visserij-instantie in Amsterdam). (Notities in bovenmarge, deels onleesbaar: Beam. bewillen / Proost verzoeken dat zijn vrouw ondervraat hieromtrent heb ik brieven geschreven aan 995 M.v.Z. m.v. Arr.)
Amsterdam 22 October 1942
Mynheer Directeur
Ik hoop niet dat ik te veel van uw aandacht verg wanneer ik u het volgende onder het oog breng. In de allereerste plaats dan heb ik geen cent schuld ten uwe kantore. Ik heb in januari 1939 nog vijf gulden betaald voor mijn vergunning en een gulden veertig cent dien ik nog betalen moest van mijn vorige zegel vergunning N. 30 Serie 130 voor de wijk Centrum.
In april daar op volgende ben ik zwaar ziek geworden en heb ik mijn vergunning bij M. Stenn in moeten leveren met de markkaart daar het voor de oorlog zeer slecht was al jarenlang met den vischhandel en ik niet in staat was mij zelven te helpen. U kan mij dus niet uitschakelen wegens schuld. Ook kan een zwaare sleepende ziekte nooit een geldige reede hiervan zijn en persoonlijk heb ik ook nooit iets met u gehad zoo ik nu met een gezond lichaam te lui of te beroerd was geweest dan had u gelijk maar ik heb altijd mijn best gedaan mijn brood te verdienen voor mijn groot gezin en ben grijs geworden in den vischhandel trouwens dat weet men wel op de vischmarkt en nu ben ik door u of uw z. g. visscherij Commissie broodelooos gemaakt in weerwil van een erkenning van de Nederlandsche vischerij centrale dien nu al weer een maand in mijn bezit heb trouwens De schrijver van deze brief is een visboer die in financiële en professionele nood verkeert. De kern van zijn betoog is dat zijn vergunning ten onrechte is ingetrokken of niet wordt verlengd. Hij voert hiervoor drie argumenten aan:
1. Geen schuld: Hij bewijst met details (bedragen en serie-nummers uit 1939) dat hij aan zijn financiële verplichtingen heeft voldaan.
2. Overmacht door ziekte: Hij legt uit dat zijn eerdere inactiviteit en het inleveren van zijn bescheiden (bij een zekere M. Stenn) te wijten waren aan een ernstige, langdurige ziekte, niet aan onwil.
3. Ervaring en noodzaak: Hij beroept zich op zijn status als ervaren handelaar ("grijs geworden in den vischhandel") en de noodzaak om voor een "groot gezin" te zorgen.
De toon is respectvol maar dringend en enigszins verongelijkt. Hij voelt zich onrechtvaardig behandeld door de "z. g. [zoogenaamde] visscherij Commissie" die hem "broodeloos" heeft gemaakt, ondanks dat hij over de juiste papieren van de overkoepelende organisatie beschikt. De brief is geschreven in oktober 1942, midden in de Tweede Wereldoorlog. Tijdens de bezetting was de distributie van voedsel, waaronder vis, streng gereguleerd door de Duitse autoriteiten en Nederlandse uitvoeringsorganen zoals de Nederlandsche Visscherij Centrale (NVC).
Zelfstandige ondernemers waren volledig afhankelijk van vergunningen om legaal handel te mogen drijven en aanvoer te krijgen. De "erkenning" waar de schrijver aan het eind over spreekt, was een officieel document van de NVC dat noodzakelijk was om in de branche te mogen werken. De brief illustreert de bureaucratische strijd van kleine ondernemers om het hoofd boven water te houden in een tijd van schaarste, ziekte en strenge controle. De verwijzing naar "wijk Centrum" duidt op de Amsterdamse context, waarschijnlijk gerelateerd aan de vismarkt (bij de Dam of de vishal aan de De Ruijterkade). M. Stenn Marktwezen