Archiefdocument
Origineel
30 oktober 1942 (met handgeschreven toevoeging van 18 november 1942) Secretaris van de Nederlandsche Visscherijcentrale, 's-Gravenhage [Briefhoofd]
NEDERLANDSCHE VISSCHERIJCENTRALE
AFD. Administratie
BETREFFENDE M. Proost
BERICHT OP SCHRIJVEN VAN 26-10-42
No. 46A/283/8 M.
BIJ ANTWOORD VERMELDEN: No. 27974 A/Ko
BIJLAGEN STUKS, T.W.:
Marktwezen der Gemeente Amsterdam
Jan van Galenstraat 14
AMSTERDAM (W).
'S-GRAVENHAGE, 30 October 1942.
2e ADELHEIDSTRAAT 300
[Stempel linksboven]
№ 46a/283/9 M. 1942 2/11
[Handgeschreven kanttekeningen links]
stukken bijvoegen 8!
v. Beeren schrijven
zie ook onze stukken
[Typschrift body]
In antwoord op Uw nevenvermeld schrijven berichten wij U, dat M. Proost als kleinhandelaar in visch is toegelaten, omdat hij op zijn aanmelding heeft medegedeeld, dat hij reeds ruim 50 jaren in visch handelt; wij meenden, dat er tegen de toelating geen bezwaren zouden bestaan.
Wij vernemen gaarne, op grond waarvan Proost, die, zooals hij opgeeft reeds vele jaren vischkoopman is, thans niet voor een toewijzing in aanmerking kan komen.
Tenslotte deelen wij U mede, dat wij in het vervolg het advies van Uw dienst zullen inwinnen, alvorens tot toelating van een kleinhandelaar, die te Amsterdam woonachtig is, zal worden overgegaan.
NEDERLANDSCHE VISSCHERIJCENTRALE,
[Handtekening: S. Bakker]
Secretaris
[Handgeschreven tekst onderaan]
M. Proost is reeds jaren uit den handel.
Indien de handel vrij was, zou Proost zeker niet in den handel terug kunnen komen. Nu echter de visch verdeeld wordt en ieder deze kan verkoopen meent de commissie voor de verdeeling het verzoek m. Proost om voor verdeelcent. [verdeelcentrale] in aanmerking te mogen komen, te moeten afwijzen.
18-11-42 [Paraaf] Dit document illustreert de bureaucratische afstemming tussen de centrale landelijke organisatie (Nederlandsche Visscherijcentrale) en de lokale autoriteiten (Marktwezen Amsterdam) tijdens de Tweede Wereldoorlog.
De kern van de correspondentie is de aanvraag van de heer M. Proost om als vishandelaar erkend te worden. De Visscherijcentrale heeft hem aanvankelijk goedgekeurd op basis van zijn bewering dat hij al 50 jaar in het vak zit. Echter, uit de handgeschreven notities onderaan blijkt dat de lokale controleurs van het Marktwezen veel strenger zijn. Zij stellen dat Proost feitelijk al jaren gestopt was ("uit den handel") en vermoeden dat hij nu de handel weer in wil enkel omdat vis een schaars, gedistribueerd goed is geworden.
De brief eindigt met een beleidswijziging: de Centrale zal voortaan eerst advies vragen aan de Amsterdamse dienst voordat zij nieuwe handelaren in die stad toelaat. Dit wijst op een aanscherping van de controle op de distributieketen. In 1942, tijdens de Duitse bezetting van Nederland, was de economie volledig omgeschakeld naar een distributiestelsel. Producten zoals vis waren schaars en de handel werd strikt gereguleerd door centrale organen zoals de Nederlandsche Visscherijcentrale (opgericht in 1941).
De Visscherijcentrale had de taak om de visserij en de handel in vis in goede banen te leiden volgens de richtlijnen van de bezetter en de Nederlandse departementen. Omdat er sprake was van schaarste, was een vergunning om te mogen handelen zeer waardevol. "Vrije handel" bestond niet meer; wie mocht verkopen, kreeg een toegewezen hoeveelheid product (de "toewijzing"). De discussie in deze brief over het feit of iemand "reeds jaren uit den handel" is, is cruciaal: de autoriteiten probeerden te voorkomen dat gelukszoekers of zwarthandelaren misbruik maakten van het distributiesysteem door zich voor te doen als gevestigde kooplui.