Ambtelijke brief (doorslag).
Origineel
Ambtelijke brief (doorslag). 25 augustus 1942. De Directeur (van een gemeentelijke dienst of distributiebureau). [In potlood bovenaan:] Verzonden 25/8 [rest onleesbaar]
VD/HB.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
46A/321/67 M. 1. 25 Augustus 1942.
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 15 dezer
om advies ontvangen stuk No. 259 L.M. 1942 heb ik de eer U te be-
richten, dat adressant voorkomt op de verdeellijst voor gerookte
aal met een enkele toewijzing. Deze toewijzing is hem door de door
de Nederlandsche Visscherijcentrale ingestelde Verdeelingscommissie
verstrekt, omdat hij in de basisjaren 1939 en 1940 naast zijn ha-
ringhandel des Zaterdags ook wel wat gerookte aal verkocht. In
versche visch heeft Failé echter nimmer gehandeld, zoodat hij hier-
op geen enkel recht kan doen gelden.
Op grond hiervan geef ik U in overweging op het onderhavige
verzoek afwijzend te beschikken.
De Directeur, In dit document adviseert de directeur van een onbekende instantie (waarschijnlijk een lokaal bureau voor de voedselvoorziening) de wethouder om een verzoek van een handelaar genaamd Failé af te wijzen.
Failé had blijkbaar gevraagd om een toewijzing (vergunning of quotum) voor de handel in verse vis. De directeur voert aan dat Failé weliswaar een kleine toewijzing heeft voor gerookte aal, maar dat dit gebaseerd is op zijn bescheiden nevenactiviteiten in 1939 en 1940 (toen hij naast zijn haringhandel op zaterdagen wat aal verkocht). Omdat de aanvrager historisch gezien nooit in verse vis heeft gehandeld, stelt de directeur dat hij daar nu ook geen recht op heeft binnen het distributiesysteem.
De toon is strikt zakelijk en ambtelijk, waarbij verwezen wordt naar specifieke "basisjaren" om het recht op handel aan te tonen. Dit document stamt uit augustus 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was de voedselvoorziening strikt gereguleerd via een distributiesysteem. Handelaren kregen alleen voorraden toegewezen als zij konden bewijzen dat zij al vóór de oorlog (in de zogenaamde "basisjaren" 1939 en 1940) in die specifieke producten handelden.
De genoemde "Nederlandsche Visscherijcentrale" was een organisatie die door de bezetter was ingesteld (of onder toezicht stond) om de visserijsector en de distributie van vis centraal te controleren. Dergelijke ambtelijke adviezen waren essentieel voor het beheer van de schaarse middelen en om te voorkomen dat nieuwe handelaren de markt betraden ten koste van de gevestigde orde en de Duitse belangen.