Ambtsrapport van de visvoorziening.
Origineel
Ambtsrapport van de visvoorziening. 26 november 1942 (betreft gebeurtenissen op 20 september 1942). Amsterdam 26-11-1942.
Rapport
Beh: vischvoorz. Alb. Cuyp.
Op Zondag 20/9-42.
Op bovengenoemde datum werd door mij
dienst gedaan voor de vischvoorziening.
Dien dag was er geen versche aal, garnalen
of tongvisch, alleen kleinhandel met een
3/4 pond gerookte aal. Diverse venters hadden
echter diendag een toewijzing zoetwatervisch gekregen
en kwamen zich bij mij melden. Het was allemaal
kleingoed (voorntjes) en het publiek wilde deze
visch niet. Ze moesten aal hebben, daar hadden ze
voor in de rij gestaan.
Nu gaf ik order aan de venters om
hun visch dien Zondag in het ijs te zetten en Maan-
dagochtend direct aan te brengen. Ook Bohn-Heere
was hierbij en ook hij had klein goed op zijn kar.
Bij informatie aan de vischmarkt, bleek mij later
dat Bohn-Heere 40 pond snoekbaars had toegewezen
gekregen, maar die heb ik niet gezien, want ik ben
overtuigd dat het publiek die wel had willen hebben.
De ambtenaar
(onleesbare handtekening) Dit rapport biedt een inkijkje in de dagelijkse realiteit van de voedseldistributie in bezet Nederland. De kern van het verslag is de spanning tussen de schaarste aan gewilde producten (aal, garnalen, tong) en de overvloed aan minder gewild "kleingoed" (zoals voorntjes).
De ambtenaar rapporteert een specifiek incident op de Albert Cuypmarkt waarbij het publiek, dat uren in de rij had gestaan voor aal, weigerde genoegen te nemen met de kleine zoetwatervis. Interessant is de verdenking die de ambtenaar uitspreekt tegenover de vishandelaar Bohn-Heere. Hoewel Bohn-Heere officieel 40 pond snoekbaars (een kwalitatief betere vis) toegewezen had gekregen, toonde hij op de markt alleen kleingoed. De ambtenaar suggereert hiermee indirect dat er sprake is van achterhouden van goederen, mogelijk voor de zwarte markt of eigen gewin. In 1942 was de schaarste in Nederland door de Duitse bezetting alomtegenwoordig. De "Vischvoorziening" was de instantie die de vangst en distributie van vis reguleerde om te voorkomen dat alles naar Duitsland verdween of op de zwarte markt belandde.
Vis was een belangrijke bron van proteïne nu vlees steeds schaarser werd, maar de aanvoer was onregelmatig door mijnenvelden op zee en brandstoftekorten voor de vissersvloot. Het systeem van "toewijzingen" zorgde ervoor dat handelaren slechts een beperkte hoeveelheid en soort vis kregen die zij tegen vastgestelde prijzen moesten verkopen. In de praktijk leidde dit vaak tot corruptie, waarbij de betere vis "onder de toonbank" verdween. Dit rapport illustreert de controlerende rol van ambtenaren die probeerden dit proces in goede banen te leiden te midden van een steeds wanhopiger wordende bevolking.