Handgeschreven brief (verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift). 20 oktober 1942. Onbekend (geen handtekening onderaan de pagina zichtbaar, maar de briefschrijver is de nieuwe eigenaar van Nieuwendijk 84). № 46ᵃ/615/3 M. 1942 ²¹/w
10
Amsterdam 20 October 1942
Geachte Inspecteur en Heeren
van de Commissie voor den Vischhandel.
J. v. Galenstraat 14.
m.i. Com.
Verweij
Ik dank de Heeren voor de toewijzing op de Zaak van
J. de Winter die in mijn bezit is overgegaan Nieuwendijk 84.
Maar deze toewijzing is alleen voor Zoetwatervisch.
Ik was bij den Heer C.F Sizema aan de Ruiterkade
en betreffende deele mij mede dat ik op de lijst voor
Zoetwatervisch sta.
Nu wilde ik de Heeren van de Commissie vriendelijk
verzoeken mij ook een toewijzing voor Zoutwatervisch
toe te staan, en wel om volgende reden.
Daar ik in de Weesperstraat № 8 waar mijn Zaak
gegrond was, ook altijd in den Handel was van
Zoutwatervisch Kan dit toch immers naar de
Nieuwendijk overgedragen worden.
De Jood J. de Winter die daar nu gevestigd is
mag daar immers geen Visch verkoopen.
Ik was jarenlang in den Vischhandel, zelfs naweisbaar
10 jaar in Deutschland de Stad Stettin, in Pommeren,
waar ik een bloeiende Vischzaak heb gedreven.
Ook hier Nieuwendijk 84 ligt behoefte aan dit artikel
voor, daar een Vischzaak hier in 't geheel niet bestaat. * Inhoud: De schrijver van de brief heeft onlangs de viszaak aan de Nieuwendijk 84 in Amsterdam overgenomen. Hij heeft hiervoor een vergunning (toewijzing) gekregen voor de verkoop van zoetwatervis, maar verzoekt de commissie om dit uit te breiden naar zoutwatervis.
* Argumentatie: De afzender voert drie hoofdargumenten aan:
1. Hij verkocht op zijn vorige locatie (Weesperstraat 8) ook al zoutwatervis.
2. Hij beschikt over ruime ervaring (10 jaar) in de vissector in Stettin (Duitsland).
3. Er is in de buurt van de Nieuwendijk behoefte aan een dergelijke winkel.
* Toon: De toon is beleefd doch zakelijk en opportunistisch. De schrijver wijst expliciet op het feit dat de vorige eigenaar, J. de Winter, een Jood is en daarom niet meer mag handelen, om zo zijn eigen positie te versterken. Dit document is een direct gevolg van de Arisering tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Vanaf 1941 werden Joodse ondernemers gedwongen hun bedrijven te staken of over te dragen aan niet-Joodse 'bewindvoerders' of kopers.
De genoemde "Jood J. de Winter" is waarschijnlijk Salomon (of een familielid) de Winter. Uit de tekst blijkt dat de afzender de zaak heeft overgenomen omdat De Winter vanwege de anti-Joodse maatregelen van de bezetter zijn beroep niet meer mocht uitoefenen ("mag daar immers geen Visch verkoopen").
Opvallend is dat de schrijver zijn werkervaring in Duitsland (Stettin, destijds Pommeren) benadrukt. In de context van 1942 was dit een strategische zet om de gunst van de (onder toezicht van de bezetter staande) Commissie voor den Vischhandel te winnen door loyaliteit of culturele nabijheid aan het Duitse Rijk te suggereren. De Weesperstraat, waar de schrijver vandaan kwam, was het hart van de Amsterdamse Jodenbuurt, wat de verplaatsing van de handel nog extra gewicht geeft in de herverdeling van economische middelen tijdens de bezetting. J. de Winter