Doorslag van een ambtelijke brief/adviesnota.
Origineel
Doorslag van een ambtelijke brief/adviesnota. 10 november 1942. Onbekende afdeling (geparafeerd VD/HB). De Wethouder voor de Levensmiddelen (ter plaatse). [Handgeschreven, rood:] Hiteburgh A.v.d.
[Getypt:] VD/HB.
[Handgeschreven, rood:] Verzonden 10/11
[Getypt:]
465/2/5 II.
~~465/II/32x4~~
2.
10 November 1942.
Adres A.J.L. Schindeler
inzake vischverdeeling.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Onder terugzending van de met Uw kantbrief d.d. 31 October j.l. om advies ontvangen stukken No. 941 L.M. 1942 hebben ondergeteekenden de eer U te berichten, dat zij omtrent de onderhavige aangelegenheid het advies hebben ingewonnen van de zoogenaamde Verdeelingscommissie.
Deze Commissie heeft de zaak behandeld in hare vergadering van 5 dezer en heeft het volgende advies uitgebracht.
Volgens van den heer Schindeler ontvangen inlichtingen heeft zijn voorstel betrekking op de verdeeling der zeevisch.
De Commissie wijst er allereerst op, dat er voor de verdeeling van zeevisch geen regeling is te treffen geweest aan de hand van de omzetcijfers over de basisjaren bij gebrek aan gegevens van de zijde van den handel. Zij stond dus voor de keuze desondanks toch een verdeelregeling, welke met vermeende hoegrootheid van de vroegere omzetten rekening hield en dus uitsluitend op de kennis van de leden der commissie zou moeten berusten of een verdeelregeling te treffen, welke met de praktijk zooveel mogelijk rekening hield. Zij heeft uiteraard de laatste regeling gekozen. De eerstgenoemde regeling zou uitsluitend op een willekeurige schatting der omzetten hebben berust, hetgeen de grootst mogelijke willekeur zou hebben opgeleverd.
Het adres van de heeren Schindeler c.s. wekt den verkeerden indruk als zou de bestaande verdeelregeling den geheelen handel over één kam scheren. Het tegendeel is het geval.
De commissie wil er op wijzen, dat de geldende verdeelregeling voor zeevisch berust op een driedelige onderscheiding, te weten:
1e. de geheele straathandel, benevens 37 kleine winkeliers ontvangen per beurt een toewijzing van 50 pond zeevisch; de toewijzing zal bestaan uit de zoogenaamde volksvischsoorten als schol, schar, wijting e.d.;
2e. 32 grootere winkeliers ontvangen 1 1/2 toewijzing, bestaande uit 50 pond zoogenaamde volksvisch en 25 pond fijnere vischsoorten als tong, tarbot, griet e.d., terwijl
3e. de 6 allergrootste kleinhandelaren 2 toewijzingen ontvangen, bestaande uit 50 pond volksvisch en 50 pond fijnere vischsoorten.
Er is bij de grootte der toewijzingen dus wel degelijk rekening gehouden met het verschil in lasten bij den vischhandel tusschen winkel- en straathandel. Dit document betreft de reactie van een ambtelijke instantie op een klacht (een "adres") van een vishandelaar genaamd Schindeler. De kern van het geschil is de distributie van schaarse zeevis tijdens de bezettingsjaren.
De tekst onthult dat de overheid kampte met een gebrek aan historische gegevens (omzetcijfers uit de 'basisjaren') om een eerlijk systeem op te zetten. Om 'willekeur' te voorkomen, werd een categorisatiesysteem ingevoerd gebaseerd op de omvang van de onderneming. De brief verdedigt dit systeem door te wijzen op de differentiatie tussen straathandel, kleine winkeliers en grote handelaren, waarbij niet alleen de hoeveelheid (in ponden) maar ook de kwaliteit (volksvis versus fijnere vis zoals tong en tarbot) verschilde. Het document dateert uit november 1942, een periode in de Tweede Wereldoorlog waarin de voedselschaarste in Nederland steeds nijpender werd. Visserij op de Noordzee was door de Duitse bezetter streng beperkt, waardoor zeevis een kostbaar en schaars goed was geworden dat strikt moest worden gerantsoeneerd.
De "Wethouder voor de Levensmiddelen" was een sleutelfiguur in het gemeentelijk bestuur die verantwoordelijk was voor de lokale voedselvoorziening en distributie. Dergelijke klachten van handelaren kwamen vaak voor, omdat hun inkomen direct afhankelijk was van de overheidsquota. De terminologie "volksvis" (goedkopere vis voor de massa) versus "fijnere vis" (voor de duurdere klasse) illustreert de sociaaleconomische scheiding die zelfs in distributietijd in stand werd gehouden. De brief is waarschijnlijk afkomstig uit een gemeentearchief, gezien de specifieke verwijzingen naar de lokale Verdeelingscommissie.