Archief 745
Inventaris 745-387
Pagina 496
Dossier 2A
Jaar 1942
Stadsarchief

Getypt verslag / wetenschappelijke samenvatting.

1 juni 1942.

Origineel

Getypt verslag / wetenschappelijke samenvatting. 1 juni 1942. - 17 -

Samenvatting.

Bij het uitvoeren van een proef, welke ten doel had het gedrag van aardappelen van het ras Bintje bij verscheping naar Argentinië te onderzoeken, werd opgemerkt, dat ruwe naast gladde exemplaren in de partij voorkwamen en dat de ruwe aardappelen zich afwijkend gedroegen bij het kiemen.

Ditzelfde was, eveneens bij Bintje en tevens bij Bevelanders, reeds eerder opgevallen bij bewaring in koolzuurmilieu.

Bij eerstgenoemde proef bleek, dat in dit geval, 58.7% van de ruwe aardappelen dunne, zeer zwakke spruiten voortbrachten, terwijl deze extreem zwakke spruiten bij de gladde exemplaren niet voorkwamen. Alle knollen met dunne spruiten hadden dus een ruwe huid!

Evenwel maakten niet alle ruwe knollen dunne spruiten, doch waren er wel degelijk, welke tot goede spruitvorming in staat waren.

Vermoedelijk zijn deze ruwe knollen die, welke na de felle droogte van 1941, bij het doorzetten van de regens, nog weer een nawasknol voortbrachten.

Wij uitten het vermoeden, dat ruwe knollen voor een overwegend deel zwakke planten zouden voortbrengen, welk vermoeden na uitplanten op den Proeftuin van het Laboratorium voor Tuinbouwplantenteelt, geheel bevestigd werd: de ruwe knollen leverden tot 4 Juni 13.1% planten welke niet boven den grond waren, 46.5% miniatuur-planten en 24.8% vrij kleine planten, tegenover van de gladde resp. 0.7%, 5.3% en 4.6%!

Het is waarschijnlijk, dat de oogst van de ruwe poters zéér aanmerkelijk minder zal zijn dan die van de gladde exemplaren.

Op grond van deze feiten, komt het ons na een jaar als 1941 er een was, zeer aanbevelenswaardig voor, om althans bij een partij als de onderhavige, van het ras Bintje, de ruwe exemplaren uit het pootgoed te verwijderen, opdat de gevolgen van het abnormale jaar zich in het volgend groeiseizoen niet nogmaals doen gevoelen tengevolge van het slecht aanslaan van het pootgoed.

Wageningen, 1 Juni 1942.
ir. J.H.M. van Stuivenberg. Dit document is een wetenschappelijke samenvatting van een landbouwkundig onderzoek naar de kwaliteit van pootaardappelen (met name het ras 'Bintje'). De kern van de bevindingen is dat aardappelen met een ruwe schil (veroorzaakt door groeistoornissen na droogte, ook wel 'nawas' genoemd) significant slechter presteren dan gladde aardappelen.

Uit het onderzoek blijkt dat bijna 60% van de ruwe knollen zwakke spruiten vormt, wat leidt tot een zeer gebrekkige plantontwikkeling (miniatuur-planten of planten die helemaal niet opkomen). De auteur adviseert dan ook dringend om ruwe knollen uit het pootgoed te sorteren om oogstverlies in het daaropvolgende jaar te voorkomen. De nadruk ligt op de invloed van de extreme droogte van het jaar 1941 op de kwaliteit van de oogst. Het document is gedateerd op 1 juni 1942 en is geschreven in Wageningen, het centrum van de Nederlandse landbouwwetenschap. De historische context is tweeledig:

  1. Wetenschappelijk: Het onderzoek is uitgevoerd bij het Laboratorium voor Tuinbouwplantenteelt. Dit was een periode waarin de landbouwwetenschap in Nederland, ondanks de oorlog, doorging met het optimaliseren van de voedselproductie en exportkwaliteit (zoals de genoemde verscheping naar Argentinië).
  2. Oorlogstijd: Hoewel de tekst strikt wetenschappelijk is, valt de datum midden in de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was de voedselvoorziening van vitaal belang. Onderzoek naar het maximaliseren van de aardappeloogst was niet alleen een economische kwestie, maar ook cruciaal voor de nationale voedselzekerheid. De "felle droogte van 1941" waarover gesproken wordt, had direct invloed op de beschikbare voedselvoorraden in de oorlogsjaren.

Samenvatting

Dit document is een wetenschappelijke samenvatting van een landbouwkundig onderzoek naar de kwaliteit van pootaardappelen (met name het ras 'Bintje'). De kern van de bevindingen is dat aardappelen met een ruwe schil (veroorzaakt door groeistoornissen na droogte, ook wel 'nawas' genoemd) significant slechter presteren dan gladde aardappelen.

Uit het onderzoek blijkt dat bijna 60% van de ruwe knollen zwakke spruiten vormt, wat leidt tot een zeer gebrekkige plantontwikkeling (miniatuur-planten of planten die helemaal niet opkomen). De auteur adviseert dan ook dringend om ruwe knollen uit het pootgoed te sorteren om oogstverlies in het daaropvolgende jaar te voorkomen. De nadruk ligt op de invloed van de extreme droogte van het jaar 1941 op de kwaliteit van de oogst.

Historische Context

Het document is gedateerd op 1 juni 1942 en is geschreven in Wageningen, het centrum van de Nederlandse landbouwwetenschap. De historische context is tweeledig:

  1. Wetenschappelijk: Het onderzoek is uitgevoerd bij het Laboratorium voor Tuinbouwplantenteelt. Dit was een periode waarin de landbouwwetenschap in Nederland, ondanks de oorlog, doorging met het optimaliseren van de voedselproductie en exportkwaliteit (zoals de genoemde verscheping naar Argentinië).
  2. Oorlogstijd: Hoewel de tekst strikt wetenschappelijk is, valt de datum midden in de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was de voedselvoorziening van vitaal belang. Onderzoek naar het maximaliseren van de aardappeloogst was niet alleen een economische kwestie, maar ook cruciaal voor de nationale voedselzekerheid. De "felle droogte van 1941" waarover gesproken wordt, had direct invloed op de beschikbare voedselvoorraden in de oorlogsjaren.

Locaties

Wageningen.

Kooplieden in dit dossier 80

A. Cuypstraat 117 b. = 11700 p
76 jaar) 110
Dunne spruiten
Gestripte kabeljauw
Gestripte wijting
Groote schelvisch 50 cm en grooter
Groote schol 50 cm en grooter
Groote tong 37 cm en grooter 0,98
M. Sicma 0,98
Haring en tooters
H.L. --- 4
Kabeljauw 72 cm en grooter
M. Sicma 0,43
M. Sicma 0,83
Alle 80 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 2