Archiefdocument
Origineel
10 juni 1942. 10 Juni Mevr van
J. C. van Eck te kantoor.
Vraagt uitwijzing ongedaan
te maken wijl van de eerste
maal strafbaar feit en
wijl zij zoon in haar bedrijf
noodig heeft (zelf onder
geneeskundige behandeling).
Antw. Geen ernstig feit en het
optreden in andere gevallen
overeenk.
kan voor J.C. van Eck geen enkel
uitzondering worden gemaakt.
Geadviseerd niet ter straf-
vervolging tot bedelaarsgesticht
te zenden.
10 - 6 - '42
ay
[Rood potlood onderaan links:] 77/43/4 Het document betreft een verslag van een spreekuurbezoek. Een moeder (Mevr. van Eck) probeert een maatregel tegen haar zoon (J.C. van Eck) ongedaan te maken. De zoon is blijkbaar veroordeeld of aangewezen voor "uitwijzing" (verwijdering naar een inrichting) vanwege een strafbaar feit. De moeder voert verzachtende omstandigheden aan: het is zijn eerste vergrijp, hij is onmisbaar voor haar bedrijf en zij is zelf ziek.
De autoriteiten wijzen het verzoek echter af op basis van het gelijkheidsbeginsel; men wil geen uitzondering maken om de consistentie met andere zaken te bewaren ("overeenk." oftewel overeenkomstig). Het uiteindelijke advies is om niet over te gaan tot reguliere strafvervolging, maar de man naar een "bedelaarsgesticht" te zenden, een type werkinrichting voor personen die als 'asociaal' werden aangemerkt. De datum (juni 1942) plaatst dit document midden in de Tweede Wereldoorlog. Tijdens de bezetting werd er door de Nederlandse autoriteiten (vaak onder druk of invloed van de bezetter) strenger opgetreden tegen zogenaamde 'asocialen', landlopers en kleine criminelen. Plaatsing in een bedelaarsgesticht of werkinrichting (zoals in Hoorn of Veenhuizen) werd vaak als administratieve maatregel ingezet om deze groepen uit de maatschappij te verwijderen zonder tussenkomst van een openbare rechtszitting. Het document illustreert de bureaucratische, onverbiddelijke wijze waarop dergelijke familiale noodkreten werden afgehandeld. C. van Eck J.C. van Eck