Archiefdocument
Origineel
30 december 1942 Krammer. de Vié gehoord 30/12-42.
Volgens de Vié is de relatie met Krammer in
December 42 geheel verbroken omdat Krammer
van de Omnia aanzegging gekregen had te
liquideren en de Ariërs daarom meenden
dat hun goederen in die liquidatie zouden
worden betrokken.
De Vié c.s. kregen toen van den Burgemeester
toestemming hun kramen op de Jodenmarkten
te plaatsen - nl de hekken en de kram te
kunnen een en ander 's morgens vóór
9 uur en 's avonds na 5 uur hiervoor de
Jodenmarkten te betreden. -
De Vié zegt dat in deze korte spanne tijds
de zaken moeilijk af te doen zijn en maakte
van deze gelegenheid gebruik te verzoeken
om doorlopend op die Jodenmarkten te
mogen komen. - Dit handgeschreven document is een verslag van een verklaring van een zekere 'De Vié', opgesteld eind 1942. Het document belicht twee zaken:
1. De zakelijke breuk met Krammer: De relatie tussen De Vié en Krammer werd beëindigd nadat de organisatie 'Omnia' Krammer had gesommeerd zijn bedrijf te liquideren. De term "Ariërs" in de tekst wijst erop dat niet-Joodse zakenpartners vreesden dat hun goederen geconfisqueerd zouden worden als onderdeel van de liquidatie van een (vermoedelijk) Joodse onderneming.
2. Logistiek op de Jodenmarkten: De Vié hield zich bezig met het plaatsen van marktmateriaal (hekken en kramen) op de speciaal voor Joden aangewezen markten. Hij had hiervoor toestemming van de burgemeester, maar mocht de terreinen alleen betreden vóór 9:00 uur 's ochtends en na 17:00 uur 's middags. Het document eindigt met een verzoek van De Vié om "doorlopend" (dus ook tijdens markturen) toegang te krijgen, omdat de huidige tijden te beperkt waren voor zijn werkzaamheden. Het document biedt een scherp inzicht in de bureaucratische en economische aspecten van de Jodenvervolging in Nederland tijdens de bezetting:
- Omnia-Treuhandgesellschaft: Dit was de Duitse instantie die belast was met de 'arisering' van de economie. Zij liquideerden Joodse bedrijven of stelden bewindvoerders aan om het bezit te onteigenen.
- Jodenmarkten: Vanaf 1941 werden Joden gedwongen hun handel te drijven op afgesloten marktterreinen. Niet-Joden mochten hier tijdens de handelsuren niet komen. De tekst illustreert hoe de logistiek rondom deze segregatie (het opbouwen van de markt door niet-Joodse arbeiders/ondernemers) in de praktijk leidde tot administratieve verzoeken en ontheffingen.
- Economische uitsluiting: De angst van de "Ariërs" in de tekst om betrokken te raken bij de liquidatie laat zien hoe de anti-Joodse maatregelen de bestaande sociale en zakelijke netwerken volledig ontwrichtten. Omnia