Archiefdocument
Origineel
26 november 1942. Der Reichskommissar für die besetzten niederländischen Gebiete, Der Beauftragte für die Stadt Amsterdam (De Gevolmachtigde voor de stad Amsterdam). Direktion des Centrale Markt, Amsterdam, Jan van Galenstr. 14. [Afbeelding: Rijksadelaar met swastika]
DER REICHSKOMMISSAR
FÜR DIE BESETZTEN NIEDERLÄNDISCHEN GEBIETE
DER BEAUFTRAGTE
FÜR DIE STADT AMSTERDAM
AMSTERDAM den 26. November 1942.
MUSEUMPLEIN 19
TEL. 97101
Ref. Wi.
Nº 05/21/2 M. 1942 21/12 [gestempeld en handgeschreven]
An die
Direktion des Centrale Markt
A m s t e r d a m
===================
Jan van Galenstr. 14
Betr.: den jüdischen Markthändler M. Krammer, Amsterdam-C.,
Nw. Hoogstr. 12.
Ich habe festgestellt, dass der vorbezeichnete
Jude mit 6 arischen Firmen eine dahingehende Übereinkunft
hat, dass diese ihm ca. 75 Marktstände für den Markt Gaasp-
straat zur Benutzung durch die zugelassenen jüdischen Händ-
ler zur Verfügung stellen und dafür durch den Juden am Ge-
winn beteiligt werden. Eine solche Praxis kann ich natur-
gemäss nicht zulassen. Da andererseits aber der Judenmarkt
Gaaspstraat die 75 Stände für den Marktbetrieb kaum entbehren
kann, bitte ich folgende Regelung zu treffen:
Die 6 Arier, deren Namen und Anschriften
aus dem anliegenden Schreiben des Juden Krammer hervorgehen,
stellen die 75 Marktstände der Direktion des Centrale Markt
zu einem angemessenen Mietpreis zur Verfügung. Der Mietpreis
ist von den nutzniessenden Juden der Direktion des Centrale
Markt zurückzuerstatten. Der Mietpreis ist in normalen
Grenzen zu halten, da er nicht einen besonderen Gewinn
für die arischen Vermieter einschliessen soll.
Ich bitte um Ihre Stellungnahme hierzu.
Im Auftrag
[Handtekening: A. Gombault]
(A. Gombault)
Wirtschaftsreferent
1 Anlage.
[Handgeschreven kanttekening linkerzijde:]
die 6 Arier werden
Ihre Marktstände
durch einen Ihrer
leute oder durch
einen arischen
Angestellten auf der
Gaaspstraat vermieten
lassen. Diese Pers.
muss dafür dann
ein Ausweis haben.
Alles jedoch unter
Oberaufsicht vom
"Marktwesen". Dit document is een officiële correspondentie van de Duitse bezettingsautoriteiten in Amsterdam aan de directie van de Centrale Markthallen. De kern van de brief is het verbreken van een zakelijke overeenkomst tussen een Joodse markthandelaar (M. Krammer) en zes "Arische" bedrijven.
Krammer fungeerde als tussenpersoon: hij huurde 75 kramen van deze bedrijven voor de Joodse markt in de Gaaspstraat en deelde de winst met hen. De bezetter verbiedt deze samenwerking omdat zij niet willen dat "Ariërs" en Joden dergelijke zakelijke banden onderhouden of dat "Ariërs" direct profiteren van Joodse handel op een manier die door de bezetter niet wordt gecontroleerd.
Om de continuïteit van de markt (die essentieel was voor de voedselvoorziening van de geïsoleerde Joodse bevolking) niet in gevaar te brengen, beveelt de Wirtschaftsreferent dat de bedrijven de kramen direct aan de Centrale Markt moeten verhuren tegen een kostendekkende prijs. De Centrale Markt verhuurt ze vervolgens door aan de Joodse handelaren. Zo wordt de Joodse tussenpersoon uitgeschakeld en de controle gecentraliseerd. In november 1942 was de uitsluiting van Joden uit het openbare en economische leven in Nederland in een vergevorderd stadium. Sinds 1941 waren Joden verplicht om op speciaal aangewezen "Joodse markten" te staan, zoals die in de Gaaspstraat. Dit was onderdeel van de segregatiepolitiek.
De termen "arisch" en "jüdisch" in het document zijn typerend voor het nationaalsocialistische rassenjargon dat destijds de wet vormde. De Beauftragte für die Stadt Amsterdam (Hans Böhmcker) hield nauwgezet toezicht op de uitvoering van anti-Joodse maatregelen in de stad. De handgeschreven kantlijnnotitie onderstreept de bureaucratische controle: zelfs de personen die de kramen fysiek verhuren, moeten "Arisch" zijn en in het bezit zijn van een speciaal Ausweis (identiteitsbewijs), vallend onder het toezicht van de afdeling "Marktwesen".