Handgeschreven brief (correspondentiekaart).
Origineel
Handgeschreven brief (correspondentiekaart). 18 augustus 1942. B. Wynschenk-Dingedag, Blasiusstraat 111 III, Amsterdam. Amsterdam 18 Aug 1942 ni. 403. [?]
Aan den Directeur v/h Marktwezen
Alhier
Weled. Heer.
Hiermede stel ik UEd in kennis, dat mijn man
Abram Wynschenk in 't kamp is, en dus
niet meer in de gelegenheid is om zijn plaats
op de markt in de Gaaspstraat te bezetten
en verzoek UEd. beleefd om vrijstelling
van betaling van marktgeld.
Verzoeke hiervan nota te willen nemen
Met achting
B. Wynschenk - Dingedag
Blasiusstraat
111 III In deze korte maar indringende brief stelt mevrouw B. Wynschenk-Dingedag de directeur van het Amsterdamse Marktwezen ervan op de hoogte dat haar echtgenoot, Abram Wynschenk, zijn marktplaats aan de Gaaspstraat niet meer kan innemen. De reden die zij opgeeft is dat hij "in 't kamp is". Zij verzoekt daarom om vrijstelling van de betaling van het verschuldigde marktgeld (stageld).
Het taalgebruik is uiterst formeel en zakelijk ("Weled. Heer", "verzoek UEd. beleefd"), wat gebruikelijk was voor dergelijke administratieve correspondentie, maar wat in schril contrast staat met de tragische realiteit van de situatie. De term "in 't kamp" is een eufemisme voor de deportatie of internering van haar man. De datum van de brief, 18 augustus 1942, plaatst het document midden in de periode van de grootschalige deportaties van Joden uit Nederland tijdens de Duitse bezetting. Sinds juli 1942 vonden er bijna wekelijks transporten plaats vanuit Amsterdam naar kamp Westerbork, en vandaaruit naar de vernietigingskampen in het oosten.
De Gaaspstraat-markt bevond zich in de Rivierenbuurt, een wijk waar destijds veel Joodse Amsterdammers woonden en werkten. Het feit dat mevrouw Wynschenk deze brief schrijft over zoiets triviaals als marktgeld, terwijl haar man is weggevoerd, illustreert hoe de nazi-bureaucratie en de normale burgerlijke administratie doorgingen terwijl de Holocaust zich voltrok.
Uit historische bronnen (zoals het Joods Monument) blijkt dat Abraham Wijnschenk (geboren op 12 juli 1888) inderdaad kort na het schrijven van deze brief, op 30 september 1942, is vermoord in Auschwitz. Deze brief is een directe en pijnlijke getuigenis van de ontwrichting van het dagelijks leven door de vervolging.
Samenvatting
In deze korte maar indringende brief stelt mevrouw B. Wynschenk-Dingedag de directeur van het Amsterdamse Marktwezen ervan op de hoogte dat haar echtgenoot, Abram Wynschenk, zijn marktplaats aan de Gaaspstraat niet meer kan innemen. De reden die zij opgeeft is dat hij "in 't kamp is". Zij verzoekt daarom om vrijstelling van de betaling van het verschuldigde marktgeld (stageld).
Het taalgebruik is uiterst formeel en zakelijk ("Weled. Heer", "verzoek UEd. beleefd"), wat gebruikelijk was voor dergelijke administratieve correspondentie, maar wat in schril contrast staat met de tragische realiteit van de situatie. De term "in 't kamp" is een eufemisme voor de deportatie of internering van haar man.
Historische Context
De datum van de brief, 18 augustus 1942, plaatst het document midden in de periode van de grootschalige deportaties van Joden uit Nederland tijdens de Duitse bezetting. Sinds juli 1942 vonden er bijna wekelijks transporten plaats vanuit Amsterdam naar kamp Westerbork, en vandaaruit naar de vernietigingskampen in het oosten.
De Gaaspstraat-markt bevond zich in de Rivierenbuurt, een wijk waar destijds veel Joodse Amsterdammers woonden en werkten. Het feit dat mevrouw Wynschenk deze brief schrijft over zoiets triviaals als marktgeld, terwijl haar man is weggevoerd, illustreert hoe de nazi-bureaucratie en de normale burgerlijke administratie doorgingen terwijl de Holocaust zich voltrok.
Uit historische bronnen (zoals het Joods Monument) blijkt dat Abraham Wijnschenk (geboren op 12 juli 1888) inderdaad kort na het schrijven van deze brief, op 30 september 1942, is vermoord in Auschwitz. Deze brief is een directe en pijnlijke getuigenis van de ontwrichting van het dagelijks leven door de vervolging.