Archief 745
Inventaris 745-396
Pagina 149
Dossier 107
Jaar 1942
Stadsarchief

Getypte ambtelijke brief (doorslag) met handgeschreven aantekeningen.

2 juli 1942. Van: De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Markten of een gerelateerde gemeentelijke afdeling in Amsterdam). Aan: De Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Amsterdam.

Origineel

Getypte ambtelijke brief (doorslag) met handgeschreven aantekeningen. 2 juli 1942. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Markten of een gerelateerde gemeentelijke afdeling in Amsterdam). De Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Amsterdam. [Handgeschreven bovenaan:]
Verzonden 4/7

[Handgeschreven rechtsboven:]
[onleesbaar, mogelijk 'Inspecteur' of een naam]

[Getypt:]
VD/HB.

107/42/2 M.
1
2 Juli 1942.

markt Beethovenstraat.

den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .

Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 11
Junimj.l. om advies ontvangen stuk No. 536 L.M. 1942 heb ik
de eer U te berichten, dat wel kan worden aangenomen, dat
adressant eenige schade ondervindt, doordat in de onmiddel-
lijke nabijheid van zijn winkel een viertal vischkooplieden
zijn geplaatst op de hulpmarkt Beethovenstraat. Deze schade
wordt niet geleden door den verkoop van de zoogenaamde ver-
deelvisch, welke door elken kleinhandelaar grif wordt ver-
kocht, doch met de zeer dure zeevisch, die de Volendammers
op de markt Beethovenstraat iets goedkooper kunnen verkoopen
dan adressant in zijn winkel. Deze heeft alsnog mondeling
verzocht voor te stellen de onderhavige hulpmarkt te ver-
plaatsen naar een ander, in de omgeving van de Beethoven-
straat, gelegen punt, doch dit zou naar mijn meening voor
adressant niet veel verschil uitmaken, daar het publiek toch
in de eerste plaats naar de markt zal gaan om bij de Volen-
dammers te koopen. De schade zou hierdoor voor adressant
niet worden opgeheven. Het is voorts aan te nemen, dat een
eventueel nadeel, dat adressant in zijn zaak zou ondervinden,
meer het gevolg zal zijn van het feit, dat de Joden niet
meer in zijn winkel mogen komen, dan van de aanwezigheid van
de markt.

In verband met het doel, waarvoor de markt werd inge-
steld, kan ik geen vrijheid vinden, U voor te stellen aan
de klachten van adressant tegemoet te komen. Dezerzijds is
zorg gedragen, dat de vischkooplieden niet vlak voor den
winkel hun plaatsen innemen.

De Directeur, Deze brief bevat een ambtelijk advies over een klacht van een winkelier aan de Beethovenstraat in Amsterdam. De winkelier klaagt dat een tijdelijke 'hulpmarkt' in zijn straat, en met name de visboeren uit Volendam, voor oneerlijke concurrentie zorgt.

De directeur wijst het verzoek om de markt te verplaatsen af. De meest opvallende passage is de redenatie voor de dalende omzet van de winkelier. De directeur stelt nuchter vast dat het inkomstenverlies waarschijnlijk niet door de markt komt, maar door het feit dat "de Joden niet meer in zijn winkel mogen komen".

Dit document is een kil voorbeeld van hoe de anti-Joodse maatregelen van de bezetter (het verbod voor Joden om in niet-Joodse winkels te kopen) als een geaccepteerd administratief feit werden gebruikt in de dagelijkse ambtelijke correspondentie. Het menselijk leed achter deze uitsluiting wordt gereduceerd tot een factor in een economische belangenafweging. De Beethovenstraat in Amsterdam-Zuid kende tijdens de bezetting een zeer hoog percentage Joodse bewoners, waaronder veel Duits-Joodse vluchtelingen. In de loop van 1941 en 1942 werden de beperkingen voor Joden steeds drastischer. Vanaf begin 1942 mochten Joden alleen nog tussen 15:00 en 17:00 uur inkopen doen, en uitsluitend bij winkels die daarvoor aangewezen waren of nog Joodse klanten mochten ontvangen.

De datum van de brief, 2 juli 1942, is historisch zeer beladen. In exact deze periode (juli 1942) startten de grootschalige deportaties van Joden uit Amsterdam naar kamp Westerbork en vandaar naar de vernietigingskampen. De "leegloop" van de winkels in de Beethovenstraat waarover de directeur schrijft, was dus het directe gevolg van de systematische uitsluiting en op handen zijnde deportatie van de buurtbewoners.

Samenvatting

Deze brief bevat een ambtelijk advies over een klacht van een winkelier aan de Beethovenstraat in Amsterdam. De winkelier klaagt dat een tijdelijke 'hulpmarkt' in zijn straat, en met name de visboeren uit Volendam, voor oneerlijke concurrentie zorgt.

De directeur wijst het verzoek om de markt te verplaatsen af. De meest opvallende passage is de redenatie voor de dalende omzet van de winkelier. De directeur stelt nuchter vast dat het inkomstenverlies waarschijnlijk niet door de markt komt, maar door het feit dat "de Joden niet meer in zijn winkel mogen komen".

Dit document is een kil voorbeeld van hoe de anti-Joodse maatregelen van de bezetter (het verbod voor Joden om in niet-Joodse winkels te kopen) als een geaccepteerd administratief feit werden gebruikt in de dagelijkse ambtelijke correspondentie. Het menselijk leed achter deze uitsluiting wordt gereduceerd tot een factor in een economische belangenafweging.

Historische Context

De Beethovenstraat in Amsterdam-Zuid kende tijdens de bezetting een zeer hoog percentage Joodse bewoners, waaronder veel Duits-Joodse vluchtelingen. In de loop van 1941 en 1942 werden de beperkingen voor Joden steeds drastischer. Vanaf begin 1942 mochten Joden alleen nog tussen 15:00 en 17:00 uur inkopen doen, en uitsluitend bij winkels die daarvoor aangewezen waren of nog Joodse klanten mochten ontvangen.

De datum van de brief, 2 juli 1942, is historisch zeer beladen. In exact deze periode (juli 1942) startten de grootschalige deportaties van Joden uit Amsterdam naar kamp Westerbork en vandaar naar de vernietigingskampen. De "leegloop" van de winkels in de Beethovenstraat waarover de directeur schrijft, was dus het directe gevolg van de systematische uitsluiting en op handen zijnde deportatie van de buurtbewoners.

Kooplieden in dit dossier 4

Gerelateerde Documenten 6