Archiefdocument
Origineel
25 november 1943. De Directeur (vermoedelijk van de Amsterdamse Dienst van de Voedselvoorziening). Verzonden 25/11 [onleesbaar]
46s/63/1a M. 1 25 November 1943. SV.
Den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r.
In bijlage dezes doe ik U toekomen een afschrift van een op 23 November 1943 door ambtenaren van mijn dienst opgemaakt rapport, waaruit blijkt, dat H. Starreveld, Haarlemmerstraat 97 I, alhier zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van het Tweede Uitvoeringsbesluit van het Visscherijbesluit 1941, doordat hij zijn toewijzing niet in haar geheel op zijn verkoopplaats op de Noordermarkt heeft aangevoerd doch van zijn toewijzing van 77 pond visch circa 60 pond clandestien heeft verkocht.
Op grond hiervan heb ik Starreveld voornoemd voorloopig van de verdeeling van visch geschorst.
Ik geef U beleefd in overweging wel te willen bevorderen, dat bij Besluit van den Burgemeester Starreveld voornoemd voor den tijd van 4 maanden van de verdeeling van visch aan den afslag alhier wordt uitgesloten.
De Directeur, Dit document is een ambtelijke brief waarin melding wordt gemaakt van een economisch delict tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een visverkoper genaamd H. Starreveld wordt ervan beschuldigd het overgrote deel van zijn toegewezen vis (60 van de 77 pond) 'clandestien' te hebben verkocht, in plaats van via zijn officiële standplaats op de Noordermarkt in Amsterdam.
De tekst illustreert de strikte controle op de voedselvoorziening en de distributie tijdens de bezettingsjaren. De directeur van de betreffende dienst heeft de handelaar reeds voorlopig geschorst en verzoekt de wethouder om een formele uitsluiting van de visafslag voor vier maanden via een besluit van de burgemeester. De strafmaat is aanzienlijk, aangezien uitsluiting van de afslag in feite een tijdelijk beroepsverbod betekende in een tijd van grote schaarste. In 1943 was de voedselsituatie in Nederland nijpend door de Duitse bezetting. Alles was op de bon en de handel werd strikt gereguleerd via besluiten zoals het hier genoemde Visscherijbesluit 1941. De 'zwarte handel' of clandestiene verkoop was een veelvoorkomend fenomeen omdat men op de illegale markt veel hogere prijzen kon krijgen dan de door de overheid vastgestelde maximumprijzen.
De overheid trad hier streng tegen op om de officiële distributie in stand te houden. De vermelding van de Noordermarkt en de Haarlemmerstraat bevestigt dat dit een Amsterdamse aangelegenheid betreft. De burgemeester van Amsterdam was in deze periode de pro-Duitse Edward Voûte, die direct toezag op de handhaving van dergelijke economische voorschriften.