Officieel inspectierapport (Dienst van het Marktwezen).
Origineel
Officieel inspectierapport (Dienst van het Marktwezen). 11 januari 1944. DIENST VAN HET MARKTWEZEN
te
A M S T E R D A M
R A P P O R T
Nº 2 1/2 / 1 M.1944 12/7
[Handgeschreven aantekening links:] ingekomen klacht
Naar aanleiding van een bij het "PLAATSELIJK VERDEELKAN-
TOOR AMSTERDAM", inhoudende, dat de groentehandelaar Claassen,
wonende Gr. Wittenburgerstraat te Amsterdam, waarschijnlijk
zijn toewijzing spruitkool d.d. 27 December 1943, niet aan zijn
klanten heeft afgeleverd, heb ik, Jan Hendrik de Grebber, Amb-
tenaar bij het Marktwezen, tevens onbezoldigd veldwachter der
gemeente Amsterdam, in opdracht van den Heer Directeur van het
Marktwezen alhier, een nader onderzoek ingesteld.
Op Maandag, 10 Januari 1944, heb ik een tiental klanten,
voorkomende op de klantenlijst van Claassen, gehoord. Deze ver-
klaarden mij eensluidend, dat zij op Zaterdag, 8 Januari 1944
van hun groentehandelaar Claassen, spruitkool (1/4 k.g. per
persoon) tegen den prijs van 29 cent per k.g. hadden ontvangen.
Dit was de eerste keer, dat zij van Claassen spruiten hadden
ontvangen.
In verband met het bovenstaande hoorde ik op denzelfden
dag;
Gerard Claassen,
geboren te Amsterdam, 8 September 1919, wonende en zaakhoudende
Gr. Wittenburgerstraat 62 alhier. Deze verklaarde mij, nadat
ik hem voor zoover noodig, met een en ander in kennis had ge-
steld, het volgende. "De spruitkool welke ik op 27 December
1943 op mijn toewijzing heb ontvangen, heb ik bewaard tot Za-
terdag, 8 Januari 1944. Ik heb zulks gedaan, omdat de klanten
op dien dag hun groentebonnen 2e periode zouden inleveren. Ik
ontken echter, dat ik de geheele toewijzing spruitkool van 27
December 1943, buiten mijn winkel om heb verkocht. Meer kan ik
U in deze niet verklaren."
Ik rapporteur voeg hier aan nog toe, dat het volgens ter-
zake deskundigen uitgesloten is, spruitkool 12 dagen te kunnen
bewaren.
Claassen voornoemd is door mij Proces-verbaal aangezegd
terzake overtreding van art. 6 van het Prijsbeheerschingsbesluit
1941, juncto art. 1 van de Prijzenbeschikking Groente, Fruit
en Vroege aardappelen. Hij verkocht spruitkool in zijn winkel
(stek) tegen den prijs van 40 cent per k.g., terwijl de
max. prijs 12 cent per k.g. mocht bedragen. (50% van de afwij-
kende kwaliteit)
Waarvan op ambtseed is opgemaakt dit rapport te Amster-
dam op 11 Januari 1944.
De Ambtenaar van het Marktwezen voornoemd,
[Handtekening: J.H. de Grebber]
J. H. de Grebber
Aan
Den Heer Directeur van het Marktwezen
A L H I E R
[Handgeschreven kanttekening:] P.V.B. opv. Dit document is een verslag van een opsporingsonderzoek naar economische delicten tijdens de Tweede Wereldoorlog. De kern van de zaak is "woeker" en het overtreden van distributievoorschriften.
- De verdenking: Groentehandelaar Claassen zou spruiten die voor de legale distributie bedoeld waren, achtergehouden hebben voor de zwarte markt of tegen een te hoge prijs hebben verkocht.
- Het verweer: Claassen stelt dat hij de spruiten simpelweg bewaard heeft voor een volgende bon-periode.
- De tegenwerping: De controleur stelt op basis van deskundig advies dat spruiten onmogelijk twaalf dagen houdbaar zijn. Dit impliceert dat de handelaar loog en de originele voorraad waarschijnlijk illegaal (zwart) heeft verkocht en de klanten later andere (mogelijk kwalitatief mindere) spruiten gaf.
- De overtreding: Er is een enorm prijsverschil geconstateerd. Waar de maximumprijs 12 cent was, rekende Claassen 29 tot zelfs 40 cent per kilo. In januari 1944 was Nederland bijna vier jaar bezet door nazi-Duitsland. De schaarste aan voedsel was nijpend en bijna alle producten waren 'op de bon' (distributiestelsel). Om de inflatie te beheersen en te voorkomen dat handelaren misbruik maakten van de tekorten, stelde de overheid (onder toezicht van de bezetter) maximumprijzen vast via het Prijsbeheerschingsbesluit van 1941.
De Dienst van het Marktwezen in Amsterdam speelde een cruciale rol in de controle op de kwaliteit, gewichten en prijzen op de markten en in de winkels. Toezichthouders zoals De Grebber traden streng op tegen 'zwarthandelaren' en 'woekeraars'. Voor de gewone Amsterdammer was het essentieel dat winkeliers zich aan de prijzen hielden, aangezien het weinige geld dat men had nauwelijks toereikend was voor de dagelijkse behoeften. De Wittenburgerstraat, waar de winkel gevestigd was, was destijds een dichtbevolkte Amsterdamse volksbuurt waar de voedselschaarste hard toesloeg.