Administratieve kaart of grootboeknotitie betreffende belasting of staangeld.
Origineel
Administratieve kaart of grootboeknotitie betreffende belasting of staangeld. woonhut 50 ton à f 1.- f 50 -
betaald 2 term: f 25 -
verschuldigd à f 12.10 [?]
Jan. April [?] 21/11/6
4 x 50 x 10ct f 20.-
1 - 19/5
3 x 50 x 2 1/2 ct 3.75 23.75
restitutie art. 36. f 1.25.
[doorgetreept: gekost?]
kwijtschelding art 10 " 25 -
op gronden van billijkheid
moest briefje maken Het document betreft een financiële afwikkeling voor een "woonhut" van 50 ton. Oorspronkelijk was er een bedrag van 50 gulden verschuldigd (à 1 gulden per ton). Er is reeds 25 gulden betaald in twee termijnen.
Interessant is de berekening in het midden van het document, waarbij verschillende tarieven (10 cent en 2,5 cent) worden gehanteerd over periodes, wat resulteert in een totaal van 23.75 gulden.
Onderaan het document worden juridische/administratieve gronden aangevoerd voor een correctie:
1. Restitutie (Art. 36): Een teruggaaf van 1.25 gulden.
2. Kwijtschelding (Art. 10): Een kwijtschelding van het restantbedrag (25 gulden).
De motivatie hiervoor is "op gronden van billijkheid", wat suggereert dat de betaler in een schrijnende situatie zat of dat volledige inning onrechtvaardig werd geacht. De notitie "moest briefje maken" duidt op een opdracht aan een ambtenaar om de formele correspondentie hiervoor op te stellen. In de vroege 20e eeuw (ca. 1900-1920) waren woonhutten en woonarken vaak onderworpen aan plaatselijke belastingen of havengelden, gebaseerd op de tonnage van het object. De termen "art. 36" en "art. 10" verwijzen naar specifieke artikelen in een lokale verordening (waarschijnlijk een belastingverordening).
Het gebruik van "billijkheid" als juridische grondslag was gebruikelijk in gevallen waarin strikte toepassing van de wet tot een onredelijk resultaat zou leiden, vaak bij armoede van de belastingplichtige. De rode datum (21/11/6) is kenmerkend voor de wijze waarop archivarissen of controleurs in die tijd stukken aftekenden na verwerking.