Getypte brief (doorslag/afschrift).
Origineel
Getypte brief (doorslag/afschrift). Alida Geertruida Harman-Boomgaard. Bedrijfschap voor Visscherijproducten, 's-Gravenhage. Bedrijfschap voor Visscherijproducten.
2e Adelheidstraat 300.
's-GRAVENHAGE.
A'dam 14-4-'44.
M.H.
Betreft: Rookvergunning.
Sedert 40 jaren ben ik als kleinhandelaarster en - tot $\pm$ 1937 - als grossierster in gerookte visch opgetreden.
Samen met mijn echtgenoot C.J. Harman, Gerard Doustraat 32 hs, Amsterdam, bereidde ik steeds gerookte aal, welke ik daarna zelf verkocht, alsmede ook andere gerookte visch.
Ik ben dus steeds opgetreden als rookster-kleinhandelaarster, sta als zoodanig bij iederen ambtenaar en koper-handelaar aan de Gemeente Visch Afslag te Amsterdam bekend en ben ook steeds in het bezit geweest van door den Burgemeester van Amsterdam verstrekte rookvergunningen.
Voor de commissie Amsterdam van de Centrale Erkenningscommissie voor de Regeling van den Handel in Visch, heb ik één en ander breedvoerig toegelicht en met bewijsmateriaal gestaafd, waarna de voorzitter mij aanried, mij tot U te wenden, om ook van Uw instantie een officiële rookvergunning te verkrijgen.
Op een mij daartoe van gemeentewege aangewezen terrein te Amsterdam geschiedde het rooken steeds in een hangar van de voorgeschreven afmetingen, gekeurd door Warenwet etc.
In verband met het bovenstaande verzoek ik U beleefd mij - eventueel na een in te stellen onderzoek naar mij antecedenten in overleg met de Centrale Erkenningscommissie bovengenoemd - een (voorloopige) rookvergunning uit te reiken.
Bij voorbaat beleefd dankend,
hoogachtend
w.g. C.J. Harman.
Alida Geertruida Harman-
geb. Boomgaard.
Gerard Doustraat 32 hs.
Amsterdam.
geb. 4-11-1886.
voor eensluidend afschrift,
BEDRIJFSCHAP VOOR VISSCHERIJPRODUCTEN,
[Handtekening/Paraaf] In deze brief verzoekt Alida Geertruida Harman-Boomgaard (geboren in 1886) om een officiële rookvergunning voor vis. Zij voert aan dat zij al 40 jaar ervaring heeft in het vak, zowel als kleinhandelaarster als (tot 1937) als grossierster. Ze dreef haar handel samen met haar echtgenoot vanuit hun woning aan de Gerard Doustraat in Amsterdam.
De brief is opgesteld omdat de regelgeving omtrent de handel in vis was aangescherpt. De schrijfster benadrukt haar goede reputatie bij de Amsterdamse visafslag en het feit dat zij altijd over de benodigde gemeentelijke vergunningen beschikte en aan de eisen van de Warenwet voldeed. Zij verzoekt het Bedrijfschap om een (voorlopige) vergunning, eventueel na een onderzoek naar haar achtergrond. Het document dateert uit april 1944, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was de economie sterk gereguleerd via een systeem van 'Bedrijfschappen'. Dit waren publiekrechtelijke organisaties die toezicht hielden op specifieke sectoren (zoals de visserij) en verantwoordelijk waren voor de distributie, prijsstelling en vergunningverlening.
De "Centrale Erkenningscommissie voor de Regeling van den Handel in Visch" was een orgaan dat moest beslissen wie er wel en niet mocht handelen, vaak als middel om de schaarste te beheersen en de markt te saneren. Voor een kleine zelfstandige zoals mevrouw Harman was het verkrijgen van de juiste papieren essentieel om legaal te kunnen blijven werken en toegang te krijgen tot de noodzakelijke grondstoffen (vis) in een tijd van rantsoenering. De vermelding van "antecedenten" in de brief wijst op de strikte controle die destijds op ondernemers werd uitgeoefend.