Handgeschreven brief (verzoekschrift) aan het gemeentebestuur.
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift) aan het gemeentebestuur. 26 juli 1944 (met latere aantekeningen op 29 juli en 31 juli 1944). [Bovenaan de pagina, stempel en aantekeningen]
No 46 A/173/1 M. 1944
Huizen 26/7 '44
29/7
w.m.p.
[Salulatie]
Weled. Heer.
[Brieftekst]
Ondergetekenden, aan wien een stand-
plaats is toegewezen, voor den kleinhandel
in visch, komen tot U met het verzoek,
om hun toewijzing van visch (indien
zulks noodig is) in combinatie te mogen
ontvangen. Onze standplaats is Stadionpl.
Hopende, op een gunstige beschikking
in deze, bij voorbaat onze dank, verblij-
ven wij in afwachting.
[Ondertekening en adres]
Uw dw dnr
Jan Gooijer Hz
Jan Gooijer Jz
Hoogekampweg
Achterbaan 32
[Marginale aantekening in potlood/inkt, rechtsonder]
m.i. geen bezwaar
doch moeten des morgends
beiden op de vischmarkt
zijn. 31-7-'44
deltour [?]
[Gedrukte tekst linksonder bij illustratie]
Een goed woord, wel te voor bezint,
Altijd een goede plaatse vint.
(De Brune - 1636) In deze brief verzoeken twee visboeren uit Huizen, vermoedelijk vader en zoon (gezien de initialen Hz. en Jz., wat staat voor Hendrikszoon en Janszoon), om hun visvoorraad gezamenlijk ("in combinatie") te mogen ontvangen. Ze hebben een officieel toegewezen standplaats op het Stadionplein.
De brief is formeel van toon en geschreven in het Nederlands van de jaren '40, inclusief de toen gangbare spelling (zoals "visch" en "morgends"). De ambtelijke reactie onderaan de brief keurt het verzoek goed ("m.i. geen bezwaar"), maar stelt als voorwaarde dat beide heren 's ochtends wel persoonlijk op de vismarkt aanwezig moeten zijn. Het document dateert uit juli 1944, de laatste fase van de Tweede Wereldoorlog in Nederland. In deze periode was de voedselvoorziening streng gereguleerd door de bezetter en lokale autoriteiten. Handelaren waren afhankelijk van officiële toewijzingen van goederen. Huizen was van oudsher een vissersdorp, en de handel in vis was een essentieel onderdeel van de lokale economie.
De gedrukte spreuk onderaan is een citaat van Johan de Brune uit zijn werk Emblemata (1624). Het toevoegen van dergelijke moralistische spreuken op briefpapier was in die tijd niet ongebruikelijk en diende hier wellicht om de welwillendheid van de ambtenaar te bevorderen: wie een goed en weloverwogen woord spreekt (of schrijft), vindt meestal gehoor.