Archiefdocument
Origineel
25 oktober 1937 (verzonden 27 oktober 1937). De Directeur (vermoedelijk van een Amsterdamse gemeentelijke dienst). [Links boven, getypt:]
VP/HG.
[Rechts boven, handgeschreven:]
l en m de Boer
Verzonden 27/10-’37
[Links, getypt:]
46A/17/6 M.
1
[Rechts, getypt:]
25 October 1937.
[Onderwerp, links:]
Aanwijzing van Amsterdam
als aanvoerhaven van versche
zeevisch.
[Geadresseerde, rechts:]
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 11 Augustus j.l. om advies ontvangen stuk No.474 L.M.1937, waarvan de behandeling tot mijn spijt is vertraagd, heb ik de eer U te berichten, dat de onderhavige aanwijzing werd voorgesteld in mijn rapport d.d. 29 Juni j.l. (No.46A/17/3 M.) en door het Gemeentebestuur op 6 Juli j.l. (onder no. [handgeschreven:] 474 [getypt:] ~~875~~ L.M.193~~5~~[handgeschreven:] 7) aan Zijne Excellentie den Minister van Land- bouw en Visscherij ad interim werd gevraagd.
Tot nu toe heeft deze aanwijzing nog niet het gewenschte resultaat opgeleverd, dat van tijd tot tijd een Deensche botter de vischmarkt hier ter stede zou bezoeken. Ik doe echter nagaan, of maatregelen kunnen worden genomen, om onze markt voor de Deensche visschers (want op hen heeft deze aanwijzing voornamelijk betrekking) aantrekkelijker te maken. Zoo mogelijk zal ik U hieromtrent te zijner tijd nader rapporteeren.
Inmiddels heb ik de eer U te adviseeren het onderhavige stuk voor kennisneming te aanvaarden.
De Directeur, Deze brief is een ambtelijk verslag over de voortgang van een specifiek economisch beleid in Amsterdam: het aanwijzen van de stad als officiële aanvoerhaven voor verse zeevis. De auteur (de Directeur) rapporteert aan de Wethouder voor Levensmiddelen dat het besluit weliswaar is genomen en voorgelegd aan de Minister, maar dat het beoogde effect — het aantrekken van Deense vissersvaartuigen (botters) — nog uitblijft. Er wordt gezocht naar manieren om de Amsterdamse vismarkt aantrekkelijker te maken voor deze internationale handel.
De tekst bevat handgeschreven correcties in de dossiernummers, wat duidt op een zorgvuldige administratieve verwerking waarbij foutieve verwijzingen werden hersteld om aan te sluiten bij eerdere correspondentie (stuk No. 474 L.M. 1937). Het document dateert uit oktober 1937, de late vooroorlogse periode. Amsterdam probeerde in deze tijd haar positie als handelscentrum te versterken, ook op het gebied van voedselvoorziening. Deense vissers stonden in die tijd bekend om hun kwalitatief hoogwaardige aanvoer. Door Amsterdam als aanvoerhaven aan te wijzen, trachtte het gemeentebestuur de tussenhandel te verkorten en de lokale vismarkt te stimuleren. De brief illustreert de bureaucratische weg tussen de gemeente en het landelijke Ministerie van Landbouw en Visscherij. De spelling (zoals "zeevisch" en "visscherij") is conform de toen geldende spelling-De Vries en Te Winkel.