Krantenknipsel of uittreksel uit een rapport/pamflet.
Origineel
Krantenknipsel of uittreksel uit een rapport/pamflet. Vermoedelijk eind 1936 of begin 1937 (gezien de verwijzing naar de eerste acht maanden van 1936). GEBREK AAN GOEDKOOPE VISCH
TE AMSTERDAM.
Wij hebben in de laatste paar jaar bij de organen van Maatschappelijk Steun herhaaldelijk de meening ontmoet, dat hulp voor de categorie vischventers overbodig was. Alleen in bijzondere omstandigheden konden zij slechts in volledigen steun worden opgenomen. Het was niet te controleeren, of zij werkelijk in verdiensten zoo achteruit gegaan waren, dat ingrijpen van de zijde van M. S. noodig geacht werd. Men baseerde deze opvatting op aanvoercijfers van IJmuiden. Nu is het eenvoudig onzin, om de gang van zaken in den Amsterdamschen vischhandel en in het bijzonder de straathandel, te beoordeelen vanuit de aanvoercijfers van IJmuiden. De venters en marktkooplieden zijn voor het allergrootste deel aangewezen op den aanvoer op Amsterdam. Deze aanvoer had zijn eigen karakter door den buitengewoon levendigen aanvoer van Zuiderzee-visch. Het gebruik van Zuiderzee-visch is altijd nog niet door de Noordzee-visch gecompenseerd. Dit leeren ons de cijfers der betreffende partijen over de jaren 1930 en 1931, en 1933 en 1934.
De aanvoercijfers over die jaren bedroegen op het buitenterrein (niet afgeslagen partijen):
| 1930 | 1931 |
|---|---|
| 3.724.110 K.G. | 3.913.315 K.G. |
| 1933 | 1934 |
|---|---|
| 3.976.913 K.G. | 2.127.424 K.G. |
Men ziet uit deze cijfers een belangrijke teruggang van den aanvoer. Van 1930 tot 1933 stijgt het cijfer langzaam van 3.724.110 K.G. tot 3.976.913 K.G., om dan over 1934 te dalen tot 2.127.424 K.G. Deze daling zet zich in 1935 nog voort, want in dit jaar bedroeg het aanvoercijfer slechts 1.614.741 K.G. In vergelijking met 1933 dus 1.362.172 K.G. minder! Deze achteruitgang is dus bijna even groot als de geheele aanvoer over 1935. De eerste acht maanden van 1936 zijn niet beter dan die van 1935.
Indien dus de Directie van het Gemeentelijk Bureau voor Maatschappelijk Steun bewijzen wil zoeken voor de verslechtering van de positie van den vischventer, dan kan hij die vinden in de cijfers van het Gemeentelijk Bureau voor de statistiek, waaraan ook onze cijfers ontleend zijn.
L. Het document is een betoog tegen het beleid van het "Gemeentelijk Bureau voor Maatschappelijk Steun" (M.S.) in Amsterdam. De kern van de klacht is dat visventers en marktkooplieden ten onrechte worden uitgesloten van sociale steun. De auteur voert de volgende argumenten aan:
- Onjuiste Data: De overheid baseert haar beleid op de aanvoercijfers van IJmuiden (Noordzeevis), terwijl de Amsterdamse straathandel afhankelijk is van de lokale aanvoer van Zuiderzeevis.
- Drastische Afname: De cijfers tonen aan dat de aanvoer van vis in Amsterdam tussen 1933 en 1935 met meer dan de helft is gedaald (van bijna 4 miljoen kg naar 1,6 miljoen kg).
- Economische Nood: De auteur stelt dat deze daling direct bewijs is voor de verslechterde inkomenspositie van de visventers, die immers minder product hebben om te verkopen.
-
Oproep tot Actie: De auteur wijst de directie van de sociale dienst op de officiële cijfers van het Gemeentelijk Bureau voor de Statistiek om hun beleid te herzien. Dit document moet worden geplaatst in de context van de Grote Depressie van de jaren 30 en de voltooiing van de Afsluitdijk (1932).
-
Zuiderzeewerken: Door de afsluiting van de Zuiderzee veranderde de zoute Zuiderzee in het zoete IJsselmeer. Dit had rampzalige gevolgen voor de vissers en de handel in Zuiderzeevis (zoals haring en ansjovis), die een belangrijke bron van goedkoop voedsel vormde voor de Amsterdamse arbeidersklasse.
- Sociale Steun: De "Maatschappelijk Steun" was de voorloper van de bijstand. In de jaren 30 was dit systeem zeer streng; men kreeg pas steun als men volledig onvermogend was en alle andere opties waren uitgeput. De discussie in dit document illustreert de strijd tussen kleine zelfstandigen (zoals venters) en de bureaucratische criteria voor armenzorg.
- Amsterdamse Straathandel: Visventers waren een iconisch onderdeel van het Amsterdamse straatbeeld. Hun neergang betekende niet alleen individueel menselijk leed, maar ook het verdwijnen van goedkope voedselvoorziening voor de stad.