Archiefdocument
Origineel
[Pagina 18]
18
ren. Men kan denzelfden persoon echter gemakkelijk een glas sinaasappelsap laten drinken, waarbij hij dan minstens twee, voor kleine appels ook drie, tot zich neemt. De leuze „drink more fruit” voert dan ook tot een consumptiestijging van 100 of meer percent. Hoeveel belang men aan deze wijze van consumeeren hecht, moge hieruit duidelijk zijn, dat verschillende groote citrus-fruit verhandelende lichamen, zoowel in Amerika, Zuid-Afrika als Palestina, prijzen hebben uitgeloofd voor goede, goedkoope fruitpersen. Wel zijn er reeds vele modellen in den handel, zoowel voor gebruik met electriciteit als voor handgebruik, maar voor zoover deze goed zijn, zijn ze nog te duur om een groote distributie hiervan te mogen verwachten. Ons fruit — zooals het thans is, — kan van deze verandering in richting van het fruitgebruik medegenieeten en wij hebben het allergrootste belang erbij, een dergelijk reclamecampagne in de toekomst te ondersteunen. Want anders moeten wij erop rekenen, dat ons fruit niet voor hooge prijzen verkoopbaar zal zijn. Het is echter niet uitgesloten, dat cultuurmaatregelen, de dikte der vliezen, zoowel als het onaanzienlijke uiterlijk van ons fruit kunnen beïnvloeden. Het zal echter de vraag van een nauwkeurig experimenteel onderzoek moeten zijn, of de resultaten van dergelijke cultuurmaatregelen aldus zullen zijn, dat de meerdere kosten hierdoor terugbetaald zullen worden. Het is lang niet uitgesloten, dat de conclusie zal zijn, dat we ons op een goedkoope productie zullen moeten instellen, omdat aldus de hoogste winsten behaald zullen worden. Deze beschouwingen leiden dus tot de conclusie, dat: we ons voorloopig op een goedkoope productie hebben in te stellen, tegelijkertijd echter intensief onderzoekende of verfijndere — maar ook duurdere — selectie- en cultuurmethoden een product kunnen leveren, dat loonend, de hoogere onkosten zal vergoeden.
Om te weten, of wij goedkoop kunnen produceeren, is het dienstig, om eenige cijfers, ter vergelijking, uit centra met een reeds hoog ontwikkelde cultuur, aan een beschouwing te onderwerpen.
In het volgende laat ik de grondprijzen achterwege, omdat deze in de verschillende landen in de rentabiliteitsberekeningen zeer verschillend verrekend worden.
Het moge U echter interesseeren, dat, hoewel de gemiddelde prijs, waarvoor in Palestina de Joden den grond van de Arabieren kochten, ongeveer $f$ 1500.- per ha. bedroeg, ook nog plantages zijn aangelegd op terreinen, waarvoor $f$ 4000.- per ha. werd betaald.
De aankoop der terreinen dus buiten beschouwing latende, blijkt een gemiddelde plantage in Palestina tot het achtste jaar ongeveer $f$ 9000.- per ha. te hebben gekost. Van het 5e jaar af zijn er inkomsten, die op rond $f$ 3000.- mogen geschat worden. De totaalkosten voor één ha. sinaasappels bedragen dus voor de
[Pagina 19]
19
eerste zeven jaren rond $f$ 6000.-. Hierbij moet bedacht worden, dat de plantages boven de 4 ha. meestal hun eigen waterwerk hebben. Dit waterwerk bestaat uit een boring, die in sommige — zeer kleine gebieden — niet dieper dan 6 m. gaat, in de meeste daarentegen tusschen 40 en 100 m. ligt. Daarbij behooren dan pomp en motor. Een gemiddelde waterwerk voor een tuin van 4 ha. kost $f$ 6 — 8000.- en belast dus de ha. met $f$ 1500.- tot $f$ 2000.-. De pijpleiding voor de distributie van het water in de plantage kost gemiddeld nog $f$ 250.- per ha. De watervoorziening alleen belast dus iedere ha. met ongeveer $f$ 1750.- tot $f$ 2250.-. Het loon voor den arbeider, niet gespecialiseerd, bedraagt $f$ 1,80 voor 8 uren brutowerk. Netto worden hoogstens 7 uren, gewoonlijk echter nog minder gewerkt. Bij eenige vakkennis stijgt het loon reeds spoedig tot $f$ 2.- terwijl het hoogste loon voor den landarbeider (vakman) zelden boven $f$ 3.- uitkomt. Voor speciale werkzaamheden, zooals voor spuiten tegen insecten of voor het sorteeren en inpakken van het fruit, worden meestal gecontracteerde speciale prijzen betaald. Daartegenover mag echter niet vergeten worden, dat de plantafstanden in Palestina veel kleiner dan hier zijn. Gemiddeld worden de sinaasappels op 4 $\times$ 4 m. geplant, zoodat per ha. ruim 600 boomen staan, tegen hier te lande gemiddeld 200 boomen. Op een ha. staan dus in Palestina het aantal boomen van 3 ha. in Suriname.
Bij aanlegkosten van $f$ 6000.- in Palestina per ha. zou men deze dus gelijk moeten stellen met een aanleg van $f$ 2000.- per ha. in Suriname. Geheel juist is dit niet, omdat indien hier pijpleidingen voor een waterdistributie over het land noodig zouden zijn, de onkosten hiervoor niet eenvoudig door 3 zouden te deelen zijn. De lengte der buizen en goten per ha. zou ten opzichte van Palestina hier slechts weinig geringer zijn. Anderzijds is de oogst van een ha. in Palestina niet 3 $\times$ hooger dan die van een ha. in Suriname. Gemiddeld worden van een goede plantage in Palestina 800—1000 exportkisten per ha. geoogst. Bij een goede behandeling mogen hier ongeveer 600 kisten per ha. worden verwacht. Als ongeveer getal ter vergelijking heeft het cijfer $f$ 2000.- eenige waarde. Als we echter een oogstgrootte van 6/8 of 6/10 van een Palestijnschen oogst ten grondslag leggen, dan is een juister vergelijkingscijfer voor de kosten voor den aanleg van één ha. $f$ 3600.- tot $f$ 4500.- tegenover $f$ 735.- per ha. zoals deze door Dr. Fernandes $^4$) zijn becijferd. En wanneer we nu zelfs deze kosten met een $f$ 200.- per ha. voor nieuwe terreinen vermeerderen, waar nog bedelvingskosten, ontbosschingskosten en inpolderingskosten moeten bijgerekend worden, tegenover de reeds bedolven en ingepolderde terreinen, waar Dr. Fernandes mede rekende en wanneer we bovendien nog een $f$ 150.- rekenen voor eventueele bevloeiing, zooals deze — bij grooten aanleg — door Prof. de Vos wordt becijferd, De tekst biedt een gedetailleerde sociaaleconomische vergelijking tussen de citruscultuur in Suriname en Palestina (het toenmalige mandaatgebied). De kernpunten zijn:
- Marketing en Consumptie: Er wordt gewezen op de opkomst van sinaasappelsap als consumptiemethode ("drink more fruit"), wat de vraag verhoogt en behoefte creëert aan goedkope sap-persen.
- Landbouwtechniek: Er is een opvallend verschil in plantdichtheid. In Palestina staan 600 bomen per hectare (4x4m), terwijl dat in Suriname slechts 200 is. Dit beïnvloedt de berekeningen van de kosten per eenheid.
- Kostenstructuur: De auteur analyseert de kosten voor grond, waterwerken (boringen tot 100m diep), irrigatie en arbeid. De arbeidskosten variëren van $f$ 1,80 voor ongeschoold werk tot $f$ 3,00 voor vakmensen.
- Concurrentiepositie: De tekst suggereert dat Suriname een aanzienlijk kostenvoordeel heeft. Zelfs met bijkomende kosten voor ontbossing en inpoldering blijven de totale aanlegkosten ($f$ 735 - $f$ 2000) ruim onder die van Palestina ($f$ 6000). Dit document is hoogstwaarschijnlijk geschreven in de context van de economische diversificatie van Suriname in het interbellum (tussen de twee wereldoorlogen). Nadat de suiker- en rubberindustrie achteruitgingen, werd citrus (vooral de "Surinaamse sinaasappel") een belangrijk exportproduct voor de Nederlandse kolonie.
De genoemde Dr. D.S. Fernandes was in die tijd een prominente landbouwkundige en directeur van het Departement van Landbouw-Economische Zaken in Paramaribo. Hij speelde een cruciale rol in het professionaliseren van de citrussector. De vergelijking met Palestina is niet toevallig; de Joodse immigratie in Palestina zorgde in diezelfde periode voor een zeer moderne en succesvolle citrusindustrie (bekend van de Jaffa-sinaasappels), die als wereldstandaard werd gebruikt. De tekst probeert aan te tonen dat Suriname, mits de juiste methoden worden toegepast, een geduchte en goedkopere concurrent kan zijn op de wereldmarkt. D.S. Fernandes