Brief / Circulaire (No. 71/1941).
Origineel
Brief / Circulaire (No. 71/1941). 1 oktober 1941. Centraal Bureau van Tuinbouwveilingen in Nederland. CENTRAAL BUREAU VAN TUINBOUWVEILINGEN IN NEDERLAND.
Javastraat 80 's-GRAVENHAGE TELEFOON 111895
Betr.: optreden van Joden in 's-Gravenhage, 1 October 1941.
het openbaar
No. 71/1941
aan de aangesloten Veilingverenigingen
Mijne Heeren,
Op 15 September jl. werd door den Commissaris-Generaal voor de Veiligheid een verordening afgekondigd waarbij met ingang van 20 September aan Joden verboden werd direct of indirect deel te nemen o.m. aan openbare veilingen.
Aangezien twijfel werd geopperd omtrent de vraag of onze tuinbouwveilingen onder het begrip "openbaar" dienden te worden gerangschikt, heeft het Centraal Bureau zich tot de betreffende instantie gewend om nadere toelichting.
Intusschen ontvingen wij heden van den heer Regeringscommissaris voor den Tuinbouw de mededeeling, dat het overleg met de Duitsche instanties er toe heeft geleid, dat - waar bij invoering der verordening op zoo korten termijn stagnatie in de groenten- en fruitvoorziening niet altijd te vermijden zou zijn - ten aanzien van onze groenten- en fruitveilingen een overgangsperiode van 2 (twee) maanden gesteld wordt.
Vertrouwend dat U hiervan goede nota zult nemen, teeken ik,
met de meeste hoogachting,
w.g. onleesbaar.
Secretaris. Dit document is een administratieve neerslag van de toenemende segregatie en vervolging van de Joodse bevolking in het bezette Nederland. De kern van de brief is de implementatie van een verbod voor Joden om deel te nemen aan openbare veilingen.
Opvallend is de pragmatische, bijna laconieke toon van de correspondentie. Het Centraal Bureau stelt niet de morele kant van de uitsluiting aan de orde, maar richt zich puur op de definitie van "openbaar" en de logistieke gevolgen voor de sector. Uit de tekst blijkt dat er met de Duitse autoriteiten is onderhandeld over een uitzondering of uitstel. Dit uitstel van twee maanden werd echter niet verleend uit humanitaire overwegingen, maar puur om "stagnatie in de groenten- en fruitvoorziening" te voorkomen. De voedselvoorziening was voor de bezetter op dat moment van groter strategisch belang dan de onmiddellijke uitvoering van deze specifieke uitsluitingsmaatregel. De brief refereert aan de beruchte Verordening 138/1941 (gepubliceerd op 15 september 1941), uitgevaardigd door Hanns Albin Rauter, de Generalkommissar für das Sicherheitswesen. Deze verordening was een ingrijpende stap in de isolatie van Joden; het verbood hen de toegang tot parken, dierentuinen, café's, restaurants, theaters en dus ook openbare veilingen.
Het Centraal Bureau van Tuinbouwveilingen (tegenwoordig bekend als het Verbond van Tuinbouwveilingen) fungeerde hier als schakel tussen de bezettende macht en de lokale veilingen. De genoemde "Regeringscommissaris voor den Tuinbouw" was een functie die door de bezetter was ingesteld om volledige controle over de agrarische productie en distributie te behouden. Dit document illustreert hoe de Nederlandse bureaucreatie en het bedrijfsleven werden ingeschakeld (en meewerkten) bij het faciliteren van de anti-Joodse maatregelen, waarbij economische belangen soms voor een kortstondig uitstel van de regels zorgden.