Archiefdocument
Origineel
29 maart 1940 G. Ph. Bakker, Geldersche kade t/o 55, Amsterdam. Directie Marktwezen, Jan van Galenstraat, Amsterdam. № 21/10/2$^A$ M. 1940 $^{30}/_3$ [stempel]
Amsterdam 29 Maart 1940
Aan de Directie Marktwezen
Jan v. Galenstraat.
Amsterdam
Mijnheer. [Aantekening in ander handschrift:] zie nota Hr Muller
Ondergeteekende geeft U hiermede kennis
dat zijn dekschuit №: 124 tot nog toe gelegen
aan de Geldersche kade t/o 55 (brandstoffenmarkt)
is verhaald en ligt op een plaats waar geen
marktgeld verschuldigd is. [Aantekening in ander handschrift:] Ontoelaatbaar! [paraaf]
Hij doet daarom het verzoek deze schuit te willen
afvoeren op het 2$^e$ kwartaal 1940. en 3$^e$ en 4$^e$ kwart.
Hopende op uw medewerking. [Aantekening in ander handschrift:] Neen!
Hoogachtend.
G. Ph. Bakker.
Geldersche kade t/o 55
Naam schuit (dekschuit)
Maria № 124
[Rechtsonder:] 21 Het document is een zakelijke brief van een burger aan de gemeentelijke instantie die toeziet op de markten in Amsterdam. De afzender, de heer Bakker, meldt dat zijn schuit is verplaatst ("verhaald") van een officiële marktlocatie naar een plek die buiten de marktgeldverplichting valt. Zijn doel is om administratief ontlast te worden van de bijbehorende heffingen voor de rest van het jaar 1940.
Het meest opvallende aan dit document zijn de ambtelijke reacties die direct op de brief zijn geklad. De woorden "Ontoelaatbaar!" en "Neen!" laten weinig aan de verbeelding over: het verzoek van de burger werd resoluut afgewezen. De verwijzing naar een "nota Hr Muller" suggereert dat er een intern dossier of toelichting bestond waarom dit specifieke verzoek niet gehonoreerd kon worden. De brief is geschreven op 29 maart 1940, slechts zes weken voor de Duitse inval in Nederland. In deze periode was de Amsterdamse haven en het grachtenstelsel nog een vitaal logistiek knooppunt. De Gelderskade fungeerde toentertijd als een brandstoffenmarkt, waar schepen met kolen en hout aanmeerden om de stad te bevoorraden.
De "Directie Marktwezen" was gevestigd aan de Jan van Galenstraat, bij de Centrale Markthallen die in 1934 waren geopend. Het innen van marktgeld was een belangrijke inkomstenbron voor de stad en een middel om de beperkte ligplaatsen in de drukke waterwegen te reguleren. De afwijzende reactie van de ambtenaar illustreert de strikte handhaving van deze regelgeving in de vooroorlogse bureaucreatie.