Archief 745
Inventaris 745-362
Pagina 298
Dossier 39
Jaar 1941
Stadsarchief

Ambtelijke brief/memorandum.

17 april 1941. Van: Onbekend (mogelijk de directeur van de Centrale Markt of een hoge ambtenaar van de Dienst der Voedselvoorziening).

Origineel

Ambtelijke brief/memorandum. 17 april 1941. Onbekend (mogelijk de directeur van de Centrale Markt of een hoge ambtenaar van de Dienst der Voedselvoorziening). D/HG.

64/8/1 M.
n 2

17 April 1941.

Toelating C. Dikstaal als
grossier op de Centrale Markt.

den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .

In bijlage dezes heb ik de eer U een contract in duplo te doen geworden ten name van C. Dikstaal, betreffende huur van pakhuisafdeeling No. A 2 op de Centrale Markt.

Ik merk ten aanzien hiervan het volgende op. Daar de grossiersorganisaties zich ernstig tegen de toelating van Dikstaal als grossier verzetten, heb ik deze aangelegenheid op 15 dezer mondeling met U mogen bespreken; U machtigde mij toen een contract, zooals thans in bijlage dezes wordt overgelegd, met Dikstaal af te sluiten. Voor de goede orde laat ik hieronder de motieven, die hebben geleid tot de toelating van Dikstaal, volgen.

In het jaar 1940 hebben zich bij de toelating als grossier tot de Centrale Markt van D.R. Lindeman eveneens moeilijkheden voorgedaan, omdat de groothandel zich sterk verzette tegen die toelating. Aanvankelijk werd bij Besluit van Burgemeester en Wethouders d.d. 28 Juni 1940 (No. 387 L.M. 1940) besloten tot niet-toelating van Lindeman, doch na mijn voorstel, neergelegd in mijn rapport van 21 November 1940 No. 65/2/9 M., werd ik op 7 December 1940 (No. 387 L.M. 1940) door den toenmaligen Wethouder voor de Levensmiddelen gemachtigd, D.R. Lindeman als grossier tot de Centrale Markt toe te laten. Ik deed bedoeld voorstel na terzake gepleegd overleg met eenige bestuursleden van de groentengrossiersorganisatie (de heeren Dijkstra, Draaisma en Kramer); het dezerzijds ingenomen standpunt was, dat degenen, die in het bezit waren van een groothandelsherkenning, vakbekwaam en blijkbaar in staat het risico van den huur van een pakhuis op zich te nemen, niet van de Centrale Markt moesten worden geweerd. Voornoemde bestuursleden hebben zich met dit standpunt vereenigd. Toen is met hen de afspraak gemaakt, dat in overeenkomstige gevallen de betrokkene toegang tot de Centrale Markt zou worden verleend als grossier-huurder van een pakhuis; het verhuren van open plaatsen zou slechts geschieden, nadat in ieder bijzonder geval overleg met den handel was gepleegd. Het aantal open plaatsen is namelijk practisch gesproken ongelimiteerd, terwijl het huren van een open plaats in de buitenlucht geen hooge financieele eischen stelt aan den gegadigde, Dit document is een ambtelijk schrijven betreffende de toelating van een nieuwe grossier (C. Dikstaal) tot de Centrale Markt in Amsterdam. De kern van de brief is de frictie tussen de gevestigde belangen van bestaande grossiersorganisaties en het gemeentelijk beleid.

De bestaande organisaties probeerden de markt af te schermen voor nieuwe concurrentie. De auteur van de brief voert echter aan dat er een precedent is geschapen in 1940 (de zaak-Lindeman). Het standpunt van de gemeente is meritocratisch en economisch onderbouwd: indien een aanvrager beschikt over de juiste papieren ("groothandelsherkenning"), vakbekwaam is en financieel krachtig genoeg is om de huur van een vast pakhuis te dragen, mag de toegang niet geweigerd worden.

Er wordt een belangrijk onderscheid gemaakt tussen het huren van een pakhuis (beperkt beschikbaar, hoge drempel) en "open plaatsen" (vrijwel onbeperkt, lage drempel). Voor die laatste categorie wil de gemeente wel in overleg blijven met de bestaande handel om wildgroei te voorkomen, maar voor pakhuis-huurders wordt een actiever toelatingsbeleid gevoerd. De brief dateert van april 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De "Centrale Markt" verwijst naar de Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat in Amsterdam. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" was in deze periode een cruciale functie vanwege de toenemende schaarste, distributie en de strenge regulering van de voedselvoorziening door de bezetter.

Het feit dat er ondanks de oorlogssituatie nog steeds juridisch-administratieve discussies werden gevoerd over markttoelating en concurrentie tussen grossiers, toont aan dat het normale economische leven en de bureaucratie, voor zover mogelijk, werden voortgezet onder de nieuwe machtsverhoudingen. De genoemde heren van de grossiersorganisatie (Dijkstra, Draaisma, Kramer) vertegenwoordigden de gevestigde Amsterdamse handelsbelangen in een tijd waarin de regels voor handel drijven steeds stringenter werden door zowel de Nederlandse bureaucratie als de Duitse verordeningen.

Samenvatting

Dit document is een ambtelijk schrijven betreffende de toelating van een nieuwe grossier (C. Dikstaal) tot de Centrale Markt in Amsterdam. De kern van de brief is de frictie tussen de gevestigde belangen van bestaande grossiersorganisaties en het gemeentelijk beleid.

De bestaande organisaties probeerden de markt af te schermen voor nieuwe concurrentie. De auteur van de brief voert echter aan dat er een precedent is geschapen in 1940 (de zaak-Lindeman). Het standpunt van de gemeente is meritocratisch en economisch onderbouwd: indien een aanvrager beschikt over de juiste papieren ("groothandelsherkenning"), vakbekwaam is en financieel krachtig genoeg is om de huur van een vast pakhuis te dragen, mag de toegang niet geweigerd worden.

Er wordt een belangrijk onderscheid gemaakt tussen het huren van een pakhuis (beperkt beschikbaar, hoge drempel) en "open plaatsen" (vrijwel onbeperkt, lage drempel). Voor die laatste categorie wil de gemeente wel in overleg blijven met de bestaande handel om wildgroei te voorkomen, maar voor pakhuis-huurders wordt een actiever toelatingsbeleid gevoerd.

Historische Context

De brief dateert van april 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De "Centrale Markt" verwijst naar de Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat in Amsterdam. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" was in deze periode een cruciale functie vanwege de toenemende schaarste, distributie en de strenge regulering van de voedselvoorziening door de bezetter.

Het feit dat er ondanks de oorlogssituatie nog steeds juridisch-administratieve discussies werden gevoerd over markttoelating en concurrentie tussen grossiers, toont aan dat het normale economische leven en de bureaucratie, voor zover mogelijk, werden voortgezet onder de nieuwe machtsverhoudingen. De genoemde heren van de grossiersorganisatie (Dijkstra, Draaisma, Kramer) vertegenwoordigden de gevestigde Amsterdamse handelsbelangen in een tijd waarin de regels voor handel drijven steeds stringenter werden door zowel de Nederlandse bureaucratie als de Duitse verordeningen.

Gerelateerde Documenten 6