Archief 745
Inventaris 745-377
Pagina 21
Dossier 55
Jaar 1942
Stadsarchief

Getypte ambtelijke brief/doorslag.

20 januari 1942 (verzonden op 21 januari 1942). Van: De Directeur (vermoedelijk van de Dienst Marktwezen Amsterdam). Aan: Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen te Amsterdam.

Origineel

Getypte ambtelijke brief/doorslag. 20 januari 1942 (verzonden op 21 januari 1942). De Directeur (vermoedelijk van de Dienst Marktwezen Amsterdam). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen te Amsterdam. VD/HG. Verzonden 21/1 [handgeschreven]

37/6/5 M.
1
20 Januari 1942.

Groenten- en fruithandelaar
Natan Hakker.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .

        Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 16

dezer om spoedig advies ontvangen stuk No.94 L.M.1942 heb ik
de eer U te berichten, dat ik toevalligerwijs op de hoogte
ben gekomen van het feit, dat de firma N.Hakker, welke firma
als "kooper" toegang tot de Centrale Markt is verleend, heeft
moeten liquideeren. Mevr. Polak Hakker (dochter van N.Hakker)
heeft dit namelijk tijdens een onderhoud te mijnen kantore
medegedeeld en daarbij gevraagd of het mogelijk was, dat zij
voortging met het bedienen van klanten aan huis (deze vraag
heb ik U met mijn brief d.d. 31 December jl. No.18/15/19 M.
voorgelegd.)
Aangezien echter mijn dienst tot nu toe officieel
nimmer bericht ontving van opdrachten tot liquidatie, zoodat
het niet mogelijk was om terzake de noodzakelijke uitvoerings-
maatregelen te nemen, heb ik deze aangelegenheid op 7 dezer
onder No.37/6/1 M. onder Uw aandacht gebracht. Handelaren
welke, om welke reden dan ook, hun bedrijf hebben gestaakt,
kunnen namelijk geen rechten meer doen gelden tot toelating
op de Centrale Markt.
Voor de goede orde herinner ik U, dat deze aangele-
genheid reeds is besproken tijdens het onderhoud, waaraan ook
door U werd deelgenomen met Wirtschaftsreferent Goumbault van
het Bureau van den Beauftragte voor de stad Amsterdam, die
heeft toegezegd in voorkomende gevallen mededeeling te zullen
doen aan mijn dienst en alsnog kennis te zullen geven van de
reeds verstrekte opdrachten tot liquidatie aan die zaken,
waarmede den dienst van het Marktwezen bemoeiingen heeft.
De ventvergunning van E.Hakker zal te mijnen kan-
tore worden gevoegd bij de ingehouden vergunningen der Jood-
sche straathandelaren. De erkenningskaart van B.Hakker zal
dezerzijds worden doorgezonden naar de Nederlandsche Groenten-
en Fruitcentrale, daar mijns inziens deze kaart behoort te
worden ingetrokken.

                                    De Directeur, Dit document is een ambtelijke correspondentie die de bureaucratische afhandeling van de vervolging van Joodse ondernemers tijdens de Duitse bezetting illustreert. De kern van de brief is de intrekking van vergunningen en de ontzegging van toegang tot de Centrale Markt voor de familie Hakker.

Opvallend is de vermelding dat de directeur "toevalligerwijs" op de hoogte is gesteld van de liquidatie door de dochter van de ondernemer. Dit wijst op een aanvankelijk gebrek aan communicatie tussen de verschillende bezettingsinstanties en de gemeentelijke diensten.

De brief maakt melding van de "Wirtschaftsreferent" Goumbault, een functionaris van de Duitse Beauftragte (gemachtigde) voor Amsterdam, die belast was met het toezicht op de economische "gelijkschakeling" en "Arisering" (het onteigenen van Joodse bezittingen). In januari 1942 was de uitsluiting van Joden uit het economische leven in volle gang. Joodse ondernemers werden gedwongen hun zaken te liquideren of over te dragen aan niet-Joodse "Verwalters" (bewindvoerders).

De in de brief genoemde "ingehouden vergunningen der Joodsche straathandelaren" verwijst naar de maatregel waarbij Joden systematisch hun middelen van bestaan werden ontnomen. Door de "ventvergunning" (het recht om op straat te verkopen) in te trekken en de toegang tot de Centrale Markt (het hart van de voedseldistributie in Amsterdam) te blokkeren, werd de familie Hakker effectief de mogelijkheid ontnomen om hun beroep uit te oefenen.

Het document toont hoe de gemeentelijke bureaucratie van Amsterdam naadloos samenwerkte met de Duitse bezettingsautoriteiten om anti-Joodse maatregelen uit te voeren. De familie Hakker uit de brief kan worden geïdentificeerd als de familie van Nathan Hakker; uit archieven van de Oorlogsgravenstichting en Joods Monument blijkt dat veel leden van deze familie de Holocaust niet hebben overleefd.

Samenvatting

Dit document is een ambtelijke correspondentie die de bureaucratische afhandeling van de vervolging van Joodse ondernemers tijdens de Duitse bezetting illustreert. De kern van de brief is de intrekking van vergunningen en de ontzegging van toegang tot de Centrale Markt voor de familie Hakker.

Opvallend is de vermelding dat de directeur "toevalligerwijs" op de hoogte is gesteld van de liquidatie door de dochter van de ondernemer. Dit wijst op een aanvankelijk gebrek aan communicatie tussen de verschillende bezettingsinstanties en de gemeentelijke diensten.

De brief maakt melding van de "Wirtschaftsreferent" Goumbault, een functionaris van de Duitse Beauftragte (gemachtigde) voor Amsterdam, die belast was met het toezicht op de economische "gelijkschakeling" en "Arisering" (het onteigenen van Joodse bezittingen).

Historische Context

In januari 1942 was de uitsluiting van Joden uit het economische leven in volle gang. Joodse ondernemers werden gedwongen hun zaken te liquideren of over te dragen aan niet-Joodse "Verwalters" (bewindvoerders).

De in de brief genoemde "ingehouden vergunningen der Joodsche straathandelaren" verwijst naar de maatregel waarbij Joden systematisch hun middelen van bestaan werden ontnomen. Door de "ventvergunning" (het recht om op straat te verkopen) in te trekken en de toegang tot de Centrale Markt (het hart van de voedseldistributie in Amsterdam) te blokkeren, werd de familie Hakker effectief de mogelijkheid ontnomen om hun beroep uit te oefenen.

Het document toont hoe de gemeentelijke bureaucratie van Amsterdam naadloos samenwerkte met de Duitse bezettingsautoriteiten om anti-Joodse maatregelen uit te voeren. De familie Hakker uit de brief kan worden geïdentificeerd als de familie van Nathan Hakker; uit archieven van de Oorlogsgravenstichting en Joods Monument blijkt dat veel leden van deze familie de Holocaust niet hebben overleefd.

Gerelateerde Documenten 6