Officieel administratief besluit (afschrift) van het College van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam.
Origineel
Officieel administratief besluit (afschrift) van het College van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam. 20 april 1942 (met terugwerkende kracht tot 13 januari 1942). [Linksboven, handgeschreven:] No 39/65/80 M. 1942 20/5
[Midden boven: Wapen van Amsterdam]
[Rechtsboven, handgeschreven paraaf/handtekening:] H. Muller [?]
Afschrift
No. 223 L. M. 19342
De BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN AMSTERDAM,
Overwegende dat het gewenscht is, de aan Sara Bacharach, geboren
8 Mei 1887, wonende Thorbeckeplein 28 hs ~~III~~ bij beschikking dd. 11 Decem-
ber 1939, no. 754 L.M. verleende vergunning tot het innemen van een vaste
standplaats, ten verkoop van bloemen, op den openbaren weg, het voetpad
van het verhoogde middengedeelte van het Rembrandtsplein, onmiddellijk
tegen den betonrand van het plantsoen, recht tegenover de scheiding van
de perceelen Rembrandtsplein 4-5, in te trekken;
Heeft goedgevonden bovenvermelde vergunning, bij deze, gerekend
te zijn ingegaan 13 Januari 1942, in te trekken.
GM
Amsterdam, 20 [handgeschreven] April 1942.
De Burgemeester voornoemd,
(get.) Voûte
De Gemeentesecretaris,
(get.) J. F. FRANKEN [paars stempel] Dit document betreft de officiële intrekking van een standplaatsvergunning voor de verkoop van bloemen op het Rembrandtsplein in Amsterdam. De vergunning stond op naam van Sara Bacharach, een vrouw die op dat moment woonachtig was aan het Thorbeckeplein.
De intrekking wordt gemotiveerd met de vage ambtelijke formulering "dat het gewenscht is". Opvallend is de terugwerkende kracht van de beslissing: hoewel het document is gedateerd op 20 april 1942, wordt de vergunning met ingang van 13 januari 1942 ingetrokken. De ondertekenaars zijn de nationaalsocialistische burgemeester Edward Voûte en gemeentesecretaris Franken. Het document is een direct bewijsstuk van de uitvoering van anti-Joodse maatregelen tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Sara Bacharach was van Joodse afkomst. In het begin van 1942 intensiveerden de bezetter en de collaborerende overheid de economische uitsluiting van Joden.
Op 10 januari 1942 werd Verordening 1/1942 van kracht, die de aanwezigheid van Joden op openbare markten en de uitoefening van straathandel door Joden verbood. Dit verklaart waarom de intrekking in dit document met terugwerkende kracht tot 13 januari is ingesteld. Dit was een systematische methode om Joodse burgers hun middelen van bestaan te ontnemen en hen volledig uit het publieke leven te weren.
Uit historische bronnen (zoals het Joods Monument) blijkt dat Sara Bacharach in mei 1943 is gedeporteerd naar vernietigingskamp Sobibor, waar zij op 21 mei 1943 is vermoord. Dit schijnbaar droge administratieve document vormde dus een stap in het proces van rechteloosmaking dat voorafging aan haar deportatie en dood. H. Muller J.F. Franken