Archief 745
Inventaris 745-267
Pagina 349
Dossier 17
Jaar 1939
Stadsarchief

Officieel extract uit het Boek der Besluiten van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam.

Vrijdag 3 november 1939.

Origineel

Officieel extract uit het Boek der Besluiten van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam. Vrijdag 3 november 1939. Nº 1/91/1 M. 1939 10/11
No. 665 P.W.1939.
858 Lm. 1939.

In de bestekken opnemen van de "bijzondere bepaling in verband met oorlogsgevaar enz.".

E x t r a c t
uit het Boek der Besluiten van
Burgemeester en Wethouders van Amsterdam

Vrijdag 3 November 1939.

De Wethouder voor de Publieke Werken herinnert Burgemeester en Wethouders er aan, dat in de vergadering van 12 October j.l., op verzoek van de Samenwerkende Patroonsvereenigingen in de Bouwbedrijven te Amsterdam, is besloten in de bestekken voor Gemeentewerken ook op te nemen de "bijzondere bepaling in verband met oorlogsgevaar enz.", zooals deze voor de Rijkswerken is vastgesteld.

Spreker deelt vervolgens mede, dat in de eerste vergadering van de Commissie in zake prijsverhooging door oorlogstoestand, ingesteld bij besluit van Burgemeester en Wethouders, d.d. 29 September 1939, No.621 P.W.1939, de wensch is geuit den inhoud van vorenbedoelde bijzondere bepaling aan alle Hoofden van Diensten, Bedrijven en Administratiën kenbaar te maken, opdat deze bij het opmaken van bestekken, betreffende aan te besteden werken, daarmede rekening kunnen houden.

Deze bijzondere bepaling luidt als volgt:

BIJZONDERE BEPALING IN VERBAND MET OORLOGSGEVAAR enz.

  1. "Indien een der volgende omstandigheden ten tijde van de aanbesteding aanwezig is:
    a. oorlogsgevaar, als bedoeld in het Tiende Hoofdstuk van de Grondwet,
    b. oorlog in Europa, waarbij Nederland niet betrokken is,
    en dientengevolge krachtens het bestek te leveren materialen en, in daarvoor in aanmerking komende gevallen, de voor de uitvoering noodige brandstoffen, alsmede de vrachten voor den aanvoer van deze materialen en brandstoffen tot aan het werkterrein in prijs stijgen, dan wel loonen van bij de uitvoering van het werk tewerkgestelden verhoogd moeten worden, heeft de aannemer, met inachtneming van het in de volgende leden bepaalde, aanspraak op een gedeeltelijke vergoeding van de meerdere kosten.
  2. Geen vergoeding zal worden gegeven:
    a. indien en voor zoover de aannemer nagelaten heeft al datgene te doen, wat redelijkerwijze van hem gevorderd kan worden om risico bij de aanschaffing van materialen en brandstoffen te beperken;
    b. ten aanzien van materialen en brandstoffen, deze tezamen genomen, van vrachten en van loonen, die, elk dezer groepen in totaal, niet meer dan 10% zijn gestegen, tenzij het totaal dezer stijgingen meer bedraagt dan 5% van de aannemingssom.
  3. Voor vergoeding wegens prijsstijging worden in het bestek aangewezen de te leveren materialen en benoodigde brandstoffen, welke in belangrijke hoeveelheden voor het werk benoodigd zijn.
  4. De vergoeding zal bedragen 85% van de prijsstijging van de voor vergoeding in aanmerking komende materialen, brandstoffen en vrachten voor den aanvoer van deze materialen en brandstoffen, en 85% van de stijging van de loonen (met inbegrip van de sociale lasten tot een door den Minister van Waterstaat, de Commissie, bedoeld in lid 6, gehoord, te bepalen percentage).
  5. Onder prijsstijging van materialen en brandstoffen en van vrachten voor den aanvoer van deze materialen en van deze brandstoffen tot aan het werkterrein wordt in deze regeling verstaan het verschil tusschen den standaardprijs, geldende ten tijde, dat de aanschaffing (c.q. aanvoer) geschiedde of met inachtneming van het bepaalde in het 2de lid onder a had behooren te zijn geschied en den standaardprijs, geldende ten tijde van de aanbesteding.
    Onder stijging van loonen wordt in deze regeling verstaan het verschil tusschen de standaardloonen ten tijde van de loonbetaling en de standaardloonen ten tijde van de aanbesteding. Dit document vormt een belangrijke schakel in de overgang van de Amsterdamse stadshuishouding naar een oorlogseconomie. Hoewel Nederland op 3 november 1939 nog neutraal was, waren de gevolgen van de uitgebroken wereldbrand (september 1939) direct voelbaar in de bouwsector.

Kernpunten van het besluit:
* Risicoverdeling: De gemeente erkent dat aannemers niet langer het volledige risico kunnen dragen voor prijsfluctuaties van bouwmaterialen, brandstoffen en lonen veroorzaakt door de internationale spanningen.
* Gedeeltelijke vergoeding (85%): De overheid kiest voor een vergoeding van 85% van de stijgingen. Dit dwingt de aannemer om nog steeds kritisch in te kopen (de resterende 15% is voor eigen rekening), maar voorkomt dat bedrijven failliet gaan aan onvoorziene inflatie.
* Harmonisatie: Amsterdam volgt hierin het landelijke beleid ("zooals deze voor de Rijkswerken is vastgesteld"), wat wijst op een gecoördineerde nationale aanpak van de economische gevolgen van de oorlogsdreiging.
* Drempelwaarden: Er is een 'eigen risico' ingebouwd: stijgingen onder de 10% per groep of 5% van de totale som worden niet vergoed. Het document dateert uit de periode van de Mobilisatie. Sinds 28 augustus 1939 was het Nederlandse leger paraat. Hoewel er nog geen gevechten plaatsvonden op Nederlands grondgebied, zorgde de oorlog in Europa voor schaarste aan grondstoffen en transportproblemen (o.a. door zeemijnen en blokkades).

De verwijzing naar het "Tiende Hoofdstuk van de Grondwet" refereert aan de artikelen over de verdediging en de staat van oorlog/beleg. De "Samenwerkende Patroonsvereenigingen" die hier lobbyen, vertegenwoordigen de werkgevers in de bouw die vreesden voor financiële ondergang bij langlopende projecten. Dit besluit markeert het begin van een periode waarin de vrije marktwerking steeds meer plaats moest maken voor overheidsregulering en compensatieregelingen.

Samenvatting

Dit document vormt een belangrijke schakel in de overgang van de Amsterdamse stadshuishouding naar een oorlogseconomie. Hoewel Nederland op 3 november 1939 nog neutraal was, waren de gevolgen van de uitgebroken wereldbrand (september 1939) direct voelbaar in de bouwsector.

Kernpunten van het besluit:
* Risicoverdeling: De gemeente erkent dat aannemers niet langer het volledige risico kunnen dragen voor prijsfluctuaties van bouwmaterialen, brandstoffen en lonen veroorzaakt door de internationale spanningen.
* Gedeeltelijke vergoeding (85%): De overheid kiest voor een vergoeding van 85% van de stijgingen. Dit dwingt de aannemer om nog steeds kritisch in te kopen (de resterende 15% is voor eigen rekening), maar voorkomt dat bedrijven failliet gaan aan onvoorziene inflatie.
* Harmonisatie: Amsterdam volgt hierin het landelijke beleid ("zooals deze voor de Rijkswerken is vastgesteld"), wat wijst op een gecoördineerde nationale aanpak van de economische gevolgen van de oorlogsdreiging.
* Drempelwaarden: Er is een 'eigen risico' ingebouwd: stijgingen onder de 10% per groep of 5% van de totale som worden niet vergoed.

Historische Context

Het document dateert uit de periode van de Mobilisatie. Sinds 28 augustus 1939 was het Nederlandse leger paraat. Hoewel er nog geen gevechten plaatsvonden op Nederlands grondgebied, zorgde de oorlog in Europa voor schaarste aan grondstoffen en transportproblemen (o.a. door zeemijnen en blokkades).

De verwijzing naar het "Tiende Hoofdstuk van de Grondwet" refereert aan de artikelen over de verdediging en de staat van oorlog/beleg. De "Samenwerkende Patroonsvereenigingen" die hier lobbyen, vertegenwoordigen de werkgevers in de bouw die vreesden voor financiële ondergang bij langlopende projecten. Dit besluit markeert het begin van een periode waarin de vrije marktwerking steeds meer plaats moest maken voor overheidsregulering en compensatieregelingen.

Kooplieden in dit dossier 33

K. Kol 761
Bij invoer
Bij invoer
Bij invoer
Bij invoer
M. Reinders 10676
Gr. Brittannië
Januari 1937 -
J. Hartgers 1225.-
Uitgaven tot fob. 950.-
N. Afrika
Vereenigde Staten 1936-'37
Vereenigde Staten 5.9%
V. Amerika 72.766
S.V. 14544
Alle 33 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 4