Extract uit het Boek der Besluiten van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam.
Origineel
Extract uit het Boek der Besluiten van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam. 14 juli 1939. [Stempel/Type:] $N^o$ 506 L.M. 1939
[Handgeschreven:] $N^o$ 66/15/3 M. 1939 $\frac{24}{7}$ [gevolgd door:] Markthw.
[Handgeschreven linksboven:] [onleesbaar, mogelijk initialen]
[Type:] Werkplaatsen voor sigarenmakers.
E x t r a c t
uit het Boek der Besluiten van
Burgemeester en Wethouders van Amsterdam,
Vrijdag, 14 Juli 1939.
De Wethouder voor den Maatschappelijken Steun herinnert aan de bespreking in de vergadering van 19 Mei 1939, aangaande eventueel nieuwe werkplaatsen voor de ongeveer 30 sigarenmakers, die thans nog hun werkplaatsen hebben op de Marinewerf, doch deze binnenkort moeten verlaten.
Onmiddellijk daarna heeft, op sprekers verzoek, de heer ir. E. de Kruyff een onderzoek ingesteld naar de mogelijkheid, deze menschen elders te huisvesten. In verband ook met de eischen van de Tabakswet en van de Brandweer zouden als vestigingsplaatsen in aanmerking kunnen komen:
- de derde en vierde verdieping van het pakhuizencomplex Nieuwe Uilenburgerstraat 121, eigenares de N.V. Van Stralen;
- de beganegrondverdiepingen van de gebouwen van Handwerkers Vriendenkring, Nieuwe Uilenburgerstraat 50 - 56;
- de kantoorlokalen in de hal op de Centrale Markt.
In het onder 1. genoemde gebouw zal voor ± $f$ 8000.- moeten worden verbouwd (ten laste van de Gemeente), terwijl de huur $f$ 5000.- per jaar zal bedragen. De huur moet door de Gemeente worden betaald en zal $f$ 5000.- blijven bedragen, ook al loopt het getal sigarenmakers, hetwelk aldaar een werkplaats zal huren, op den duur aanmerkelijk terug.
[Handgeschreven rechtsonder:] 66 / 37 Dit document is een officieel besluit van het Amsterdamse college van B&W uit de zomer van 1939. De kern van de zaak is de gedwongen verhuizing van ongeveer 30 zelfstandige sigarenmakers die tot dan toe gehuisvest waren op het terrein van de Marinewerf (Kattenburg). De Marinewerf onderging in deze periode veranderingen waardoor deze kleinschalige ambachtelijke werkplaatsen moesten wijken.
Er worden drie concrete locaties voorgesteld, waarbij de focus ligt op de Nieuwe Uilenburgerstraat. Dit is historisch interessant omdat dit het hart van de oude Joodse buurt was, waar de sigarenmakerij een veelvoorkomend beroep was. De betrokkenheid van de "Handwerkers Vriendenkring" (een bekende Joodse socialistische vakorganisatie) bij de tweede locatieoptie onderstreept dit sociale aspect.
Financieel gezien is de gemeente bereid diep in de buidel te tasten: een eenmalige verbouwing van 8.000 gulden en een vaste jaarlijkse huur van 5.000 gulden voor de locatie op nummer 121. Opvallend is de garantstelling van de gemeente: de huur blijft gelijk, ongeacht of het aantal actieve sigarenmakers in de toekomst afneemt. Dit wijst op een vorm van sociale steun voor een krimpende beroepsgroep. Het document dateert van vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De sigarenindustrie in Amsterdam was in die tijd een ambacht dat zwaar onder druk stond door mechanisatie en schaalvergroting. De sigarenmakers die hier genoemd worden, behoorden waarschijnlijk tot de laatste generatie kleine zelfstandigen in deze sector.
De Nieuwe Uilenburgerstraat, waar twee van de drie voorgestelde locaties zich bevonden, was een straat met veel pakhuizen en sociale instellingen in de Joodse wijk. De vernoeming van de "Tabakswet" en brandweereisen laat zien dat ook kleine ambachtelijke werkplaatsen in 1939 reeds aan strikte stedelijke en landelijke regelgeving moesten voldoen. De heer ir. E. de Kruyff, die het onderzoek uitvoerde, was een belangrijk ambtenaar bij de Publieke Werken, verantwoordelijk voor stadsontwikkeling en huisvesting.