Archiefdocument
Origineel
29 juli 1939. Gemeente Amsterdam (vermoedelijk College van Burgemeester en Wethouders). Zijne Excellentie den Minister van Financiën te 's-Gravenhage. [Briefhoofd:]
GEMEENTE AMSTERDAM
[Handgeschreven linksboven:] Abathho [?]
[Nummerstempel:] № 66/15/4 M. 1939 [Handgeschreven boven de M:] 29/7
AMSTERDAM, 29 Juli 1939.
AFD. L.M.
No. 506 -1939-
BIJLAGEN
[Handgeschreven centraal:]
mi. Dit ws [?]
Opb. [geparafeerd]
[Rechtsboven:]
MEN WORDT VERZOCHT BIJ HET ANTWOORD NAUWKEURIG HET NUMMER EN DE AFDEELING VAN DIT SCHRIJVEN TE VERMELDEN.
[Tekst:]
Te onzer kennis is gebracht, dat de in het Rijksgebouw aan de Marinewerf hier ter stede gevestigde sigarenmakers op last van Zijne Excellentie den Minister van Defensie, dit gebouw op korten termijn zullen moeten ontruimen, en ons is het verzoek gedaan, om door het beschikbaar stellen van een andere werkgelegenheid, er toe mede te werken, dat deze bedrijfjes in stand kunnen blijven.
Daar het belang der Gemeente meebrengt, deze sigarenmakers uit den steun te houden, hebben wij ons bereid verklaard de gevraagde medewerking te verleenen, door bij wijze van proef een aantal leegstaande kantoorlokalen op de Centrale Markt in onze Gemeente voor dit doel beschikbaar te stellen.
Voor de 33 te verplaatsen sigarenmakers zullen werklokalen, lokalen voor het bevochtigen en voor het drogen van de tabak, lokalen voor opslag van voorraden en 1 eet lokaal noodig zijn. Verder zal een lokaal beschikbaar moeten worden gesteld voor de toezichthoudende rijksambtenaren. Uiteraard zullen de bedoelde lokalen moeten worden verbouwd en zullen voorzieningen moeten worden getroffen om de droogruimten op de vereischte temperatuur te brengen en te houden. De bedoelde lokaliteiten zijn door den Hoofdinspecteur der Invoerrechten en Accijnzen voor het gestelde doel in alle opzichten geschikt bevonden.
Naar wij vernomen hebben zal aan de betreffende sigarenmakers door Uw Departement een vergoeding worden gegeven van ƒ 50.- voor verplaatsingskosten en van ƒ 10.- per maand gedurende een half jaar en twee jaar resp. aan de groepen "vrijwillige" en "verplichte" huurders. Het wil ons voorkomen, dat het billijk moet worden geacht, deze bedragen in hun geheel aan onze Gemeente uit te keeren. Immers zullen niet alleen de kosten der verplaatsing en de hooge inrichtingskosten voor rekening onzer Gemeente komen, maar ook zal [tekst loopt door op volgende pagina]
[Voet:]
Aan Zijne Excellentie den Minister van Financiën, 's-GRAVENHAGE
Model G.A. 6
50.000-10-'37 * Kwestie: De Minister van Defensie heeft 33 sigarenmakers bevolen hun werkplek in het Rijksgebouw op de Marinewerf te verlaten. De gemeente Amsterdam biedt hen een nieuwe plek aan op de Centrale Markt.
* Financieel geschil: Het Departement van Financiën heeft vergoedingen toegezegd aan de individuele sigarenmakers (50 gulden verhuiskosten en een tijdelijke huursubsidie van 10 gulden per maand). De gemeente Amsterdam claimt deze bedragen nu voor zichzelf.
* Argumentatie: De gemeente voert aan dat zij alle kosten draagt voor de verbouwing en de specifieke technische installaties (zoals verwarmde droogruimtes). Om te voorkomen dat de sigarenmakers werkloos worden en in "de steun" (sociale uitkering) terechtkomen, neemt de stad de organisatie op zich en wil zij de rijksvergoedingen gebruiken om haar eigen kosten te dekken.
* Toezicht: Opmerkelijk is dat er ook een lokaal moet worden ingericht voor de Belastingdienst (Invoerrechten en Accijnzen), aangezien de productie van tabakswaren onder strikt fiscaal toezicht stond. Dit document stamt uit juli 1939, slechts enkele maanden voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De ontruiming van de Marinewerf op last van Defensie hangt waarschijnlijk samen met de algemene mobilisatie en de noodzaak om militaire terreinen vrij te maken voor oorlogsdoeleinden.
De focus van de gemeente op het "uit de steun houden" van de werklieden is tekenend voor de naweeën van de crisisjaren '30, waarin de werkloosheid in Amsterdam zeer hoog was en de gemeente er alles aan deed om de kosten voor de sociale bijstand te beperken door kleine zelfstandigen en ambachtslieden aan het werk te houden. De Centrale Markt fungeerde hierbij als een logistiek en economisch knooppunt waar de gemeente de ruimte had om dergelijke kleinschalige industrie te faciliteren.