Getypte brief (doorslag of kopie voor archief).
Origineel
Getypte brief (doorslag of kopie voor archief). 1 juni 1939. De Directeur (vermoedelijk van een gemeentelijke dienst in Amsterdam, gelet op de context). Den Heer A. Beugeltas, Newtonstraat 4, Amsterdam-Oost. [Rechtsboven, handgeschreven:]
M. Müller
M. de Boer [?]
[Linksboven:]
VP/HG.
72/53/2 M.
[Midden, diagonaal handgeschreven:]
Verzonden 2/6
[Rechtsmidden:]
1 Juni 1939.
den Heer A. Beugeltas,
Newtonstraat 4,
Amsterdam-Oost.
Wijk 23.
Naar aanleiding van Uw briefkaart ingekomen op
30 Mei jl. bericht ik U, dat mijnerzijds geen bezwaar
bestaat, wanneer U Uw ventvergunning eerst vernieuwt,
nadat U hersteld zult zijn. U dient er echter rekening
mede te houden, dat U niet moogt venten, zoolang de
vernieuwing nog niet heeft plaats gehad.
De Directeur, * Onderwerp: Uitstel van de verlenging van een ventvergunning wegens ziekte.
* Kernboodschap: De directeur reageert op een verzoek (per briefkaart) van de heer Beugeltas. Hij gaat akkoord met het feit dat de vergunning pas na herstel van ziekte wordt vernieuwd. Er wordt echter een scherpe voorwaarde gesteld: er mag absoluut niet gewerkt (gevent) worden zolang de vergunning niet officieel is vernieuwd.
* Taalgebruik: Het document is opgesteld in formeel, ambtelijk Nederlands van voor de Tweede Wereldoorlog, met gebruik van verouderde spelling en vervoegingen zoals "mijnerzijds", "moogt" en "zoolang".
* Administratieve sporen: De aantekening "Verzonden 2/6" geeft aan dat de brief een dag na datering daadwerkelijk is verstuurd. De namen rechtsboven zijn waarschijnlijk van behandelend ambtenaren of controleurs. Dit document biedt een inkijkje in de strikte regulering van straathandel in Amsterdam aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Venten (het langs de deuren verkopen van waren) was een belangrijke bron van inkomsten voor veel Amsterdammers, maar was gebonden aan strenge gemeentelijke leges en vergunningen.
De Newtonstraat in Amsterdam-Oost (Watergraafsmeer) was in die tijd een relatief nieuwe buurt. De menselijke maat in de bureaucratie is hier zichtbaar: de overheid toont coulance bij ziekte, maar handhaaft de wetmatigheid dat zonder actuele papieren het beroep niet uitgeoefend mag worden. Voor een kleine zelfstandige in 1939 betekende dit dat ziekte niet alleen fysiek leed, maar ook een direct en legaal verbod op inkomsten met zich meebracht.