Archief 745
Inventaris 745-298
Pagina 190
Dossier 90
Jaar 1939
Stadsarchief

Getypte ambtelijke brief/nota.

19 augustus 1939. Van: Waarschijnlijk een afdelingshoofd of secretaris van de gemeente Amsterdam.

Origineel

Getypte ambtelijke brief/nota. 19 augustus 1939. Waarschijnlijk een afdelingshoofd of secretaris van de gemeente Amsterdam. [Handgeschreven, rechtsboven:] In dossier
[Handgeschreven, middenboven:] Verzonden 21/8

VP/HG.

72/77/2 M.
n 3 19 Augustus 1939.

Klacht van pachter consumptietent Oosterpark inzake venter met kar.

den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .

Onder terugzending van de met Uw kantbrief d.d. 31 Juli jl. om advies ontvangen stukken no.549 L.M.1939 heb ik de eer U te berichten, dat de onderhavige klacht betrekking heeft op J. Brilleman, Blasiusstraat 66 II, houder van ventvergunning Serie 4 No.55 voor consumptieijs in de stadswijk Oost. Brilleman is houder van een briefje van Uw Ambtsvoorganger luidende:
"Amsterdam, 11 Juni 1935.
Jacob Brilleman mag met het oog op zijn gezondheid in het Oosterpark venten met een klein karretje.
De Wethouder voor de Levensmiddelen."
(w.g. Kropman)

Blijkens een doktersattest is Brilleman lijdende aan vallende ziekte; elke emotie of opwinding moet hem bespaard blijven. De bedoeling van het briefje van Uw Ambtsvoorganger is, Brilleman ontheffing te verleenen, voor zoover het Oosterpark betreft, van het verbod van artikel 105 lid 1 der Algemeene Politieverordening, waar verboden is om onder andere met handkarren op voetwegen te rijden. Krachtens artikel 11 lid 2 onder d der Algemeene Politieverordening zijn de wegen in het Oosterpark namelijk als voetwegen te beschouwen.

Aangezien het venten in het bedoelde park, behoudens het bepaalde in de Ventverordening, vrij is, bestaat naar mijn meening geen aanleiding, om de bijzondere gunst, die Brilleman, in verband met zijn gezondheidstoestand is verleend, in te

[Document loopt hier af] * De kern van het geschil: De officiële exploitant (pachter) van de consumptietent in het Oosterpark heeft een klacht ingediend over een concurrent: Jacob Brilleman, een ijscoman die met een karretje door het park trekt.
* De juridische status: Brilleman beschikt over een geldige ventvergunning voor Amsterdam-Oost. Normaal gesproken verbiedt de Algemene Politieverordening (APV) het rijden met karren op voetpaden. Omdat alle wegen in het Oosterpark als voetpad zijn geclassificeerd, zou hij daar normaal gesproken niet met zijn kar mogen komen.
* De uitzonderingspositie: In 1935 heeft de toenmalige wethouder Kropman een schriftelijke uitzondering gemaakt voor Brilleman op medische gronden. Brilleman leed aan "vallende ziekte" (epilepsie) en het gebruik van het karretje werd gezien als een noodzakelijke faciliteit om zijn werk te kunnen doen zonder overmatige inspanning of stress.
* Ambtelijk advies: De opsteller van de brief adviseert de wethouder om de klacht van de pachter ongegrond te verklaren en de "bijzondere gunst" (de ontheffing) aan Brilleman niet in te trekken. Het sociale/medische belang weegt hier zwaarder dan het commerciële bezwaar van de pachter. Dit document biedt een inkijkje in de lokale regelgeving en sociale zorg in Amsterdam aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Het illustreert hoe de gemeente omging met burgers die door een beperking (epilepsie werd destijds vaak met de archaïsche term "vallende ziekte" aangeduid) moeite hadden om in hun eigen onderhoud te voorzien.

Wethouder W.C.J. Kropman, die de oorspronkelijke toestemming gaf, was een bekend RKSP-politicus in Amsterdam. De strijd om de openbare ruimte in parken tussen vaste pachters en mobiele venters is een terugkerend thema in stadsarchieven; vaste ondernemers zagen de ambulante handel vaak als oneerlijke concurrentie. De brief toont aan dat de gemeente Amsterdam in 1939 de menselijke maat en eerdere toezeggingen hoog in het vaandel had staan, ondanks de druk van commerciële belangen.

Samenvatting

  • De kern van het geschil: De officiële exploitant (pachter) van de consumptietent in het Oosterpark heeft een klacht ingediend over een concurrent: Jacob Brilleman, een ijscoman die met een karretje door het park trekt.
  • De juridische status: Brilleman beschikt over een geldige ventvergunning voor Amsterdam-Oost. Normaal gesproken verbiedt de Algemene Politieverordening (APV) het rijden met karren op voetpaden. Omdat alle wegen in het Oosterpark als voetpad zijn geclassificeerd, zou hij daar normaal gesproken niet met zijn kar mogen komen.
  • De uitzonderingspositie: In 1935 heeft de toenmalige wethouder Kropman een schriftelijke uitzondering gemaakt voor Brilleman op medische gronden. Brilleman leed aan "vallende ziekte" (epilepsie) en het gebruik van het karretje werd gezien als een noodzakelijke faciliteit om zijn werk te kunnen doen zonder overmatige inspanning of stress.
  • Ambtelijk advies: De opsteller van de brief adviseert de wethouder om de klacht van de pachter ongegrond te verklaren en de "bijzondere gunst" (de ontheffing) aan Brilleman niet in te trekken. Het sociale/medische belang weegt hier zwaarder dan het commerciële bezwaar van de pachter.

Historische Context

Dit document biedt een inkijkje in de lokale regelgeving en sociale zorg in Amsterdam aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Het illustreert hoe de gemeente omging met burgers die door een beperking (epilepsie werd destijds vaak met de archaïsche term "vallende ziekte" aangeduid) moeite hadden om in hun eigen onderhoud te voorzien.

Wethouder W.C.J. Kropman, die de oorspronkelijke toestemming gaf, was een bekend RKSP-politicus in Amsterdam. De strijd om de openbare ruimte in parken tussen vaste pachters en mobiele venters is een terugkerend thema in stadsarchieven; vaste ondernemers zagen de ambulante handel vaak als oneerlijke concurrentie. De brief toont aan dat de gemeente Amsterdam in 1939 de menselijke maat en eerdere toezeggingen hoog in het vaandel had staan, ondanks de druk van commerciële belangen.

Kooplieden in dit dossier 43

Bur.v.Maatsch.Steun 654
Bur.v.Maatsch.Steun 708
C.H.J. Langkemper Ventgeld ƒ 0,70 over November 1937.
E. Korthoef Geen schuld.
A. Leeseman Ventgeld ƒ 0,70 over November 1937.
G.G.D. In " 2.003,90
G.G.D. In " 3.707,50
G.G.D. In " 827,50
Gebouwen, op of tegen " 1.250,--
Gebouwen, op of tegen
Gebouwen, op of tegen
Gebouwen, op of tegen
Gebouwen, op of tegen
H.J. Vonk Ventgeld ƒ 1,40 over October en November 1937.
J.G. Kuyten Ventgeld ƒ 0,70 over November 1937.
Alle 43 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 1