Getypte notulen van een vergadering (waarschijnlijk een gemeenteraads- of commissievergadering).
Origineel
Getypte notulen van een vergadering (waarschijnlijk een gemeenteraads- of commissievergadering). (Noot: De namen van de sprekers zijn in het origineel voorzien van dubbele onderstrepingen.)
-5-
sistentie toe te staan; de Commissie heeft dan ook vol-
gens spreker terzake geen taak. Spreker bestrydt den
heer Neeter, wat betreft het plaatsen van deze venters
op de markten. Spreker is van meening, dat op de mark-
ten de kooplieden met levensmiddelen veel meer roepen
dan dit door de venters geschiedt.
De heer Presser is van meening, dat de Wethouder met zyn onderhavig
voorstel niet zoozeer bedoelt het verleenen van bystand
aan deze twee personen als wel de mogelykheid van over-
dracht der ventvergunning na een aantal jaren. Zoodra
men het principe van bystand door kinderen aanvaardt,
acht spreker het moreel een plicht er zorg voor te dra-
gen, dat het bestaan van zoo'n kind wordt gewaarborgd,
omdat het de mogelykheid wordt ontnomen om in een ander
vak werkzaam te zyn. Het geval Lymer, opgenomen in het
onderhavige voorstel, acht spreker echter niet een goed
voorbeeld. Deze man heeft reeds zyn heele leven een keel-
aandoening, zonder dat hy ooit hulp noodig heeft gehad.
In principe kan spreker zich evenwel vereenigen met het
voorstel van den Wethouder.
De heer Neeter acht het een moreele plicht, om te voorkomen, dat
dergelyke jeugdige kinderen in den straathandel worden
toegelaten, uitsluitend om met het roepen behulpzaam te
zyn.
De heer Gaaikema deelt mede, dat van de zyde der politie geen bezwaar
tegen het onderhavige voorstel bestaat.
De heer Presser deelt nog mede, dat hy, in plaats van zestien jaar,
den leertyd op achttien jaar gesteld wil zien.
De Voorzitter acht het gewenscht deze aangelegenheid principieel te
bezien; immers door het onderhavige voorstel wordt de
mogelykheid van overdracht van een ventvergunning ge-
opend naast uitbreiding van het venterscorps door middel
van de assistentie. Spreker wyst er op, dat op het Stad-
huis nog een sollicitantenlyst bestaat, waarop tal van
personen zyn ingeschreven, die niet in het bezit van een
vergunning kunnen komen. Indien de venter, wien bystand
is verleend, binnen vyf jaar overlydt, bestaat toch de
moreele plicht om de ventvergunning aan zyn assistent * Taal en spelling: Het document is geschreven in de zogenaamde "oude spelling" (vóór de hervorming van 1947). Opvallend is het consequente gebruik van de 'y' in plaats van 'ij' (bijv. mogelykheid, zyn, lyst), wat in die tijd gebruikelijk was in bepaalde administratieve en juridische kringen (zoals de Marchant-spelling).
* Sprekers:
* De heer Presser: Mogelijk Sem Presser of een familielid; de familie Presser was zeer actief in het Amsterdamse maatschappelijke leven. Hij pleit voor de bescherming van de toekomst van kinderen die in de straathandel werken.
* De heer Neeter: Uit zijn bezwaar tegen kinderarbeid in de straathandel ("uitsluitend om met het roepen behulpzaam te zyn") spreekt een sociaal bewogen motief.
* De heer Gaaikema: Vertegenwoordigt het standpunt van de politie.
* Thematiek: De discussie draait om het spanningsveld tussen sociale rechtvaardigheid (de zorg voor kinderen en zieke venters) en bureaucreatie (de lange wachtlijst voor vergunningen op het stadhuis). Er is sprake van een "leertijd", wat suggereert dat men probeerde de straathandel te professionaliseren of te reguleren als een echt vak. Dit document biedt een inkijkje in de regulering van het straatbeeld in de vroege 20e eeuw. De straathandel was destijds een essentiële, maar vaak chaotische bron van inkomsten voor de armere bevolkingslagen. De overheid probeerde dit te reguleren via vergunningsstelsels.
Het genoemde "roepen" was een karakteristiek onderdeel van het stadsleven (de marktkoopman die zijn waren aanprijst), maar werd door de autoriteiten steeds vaker gezien als geluidsoverlast of een onwenselijke bezigheid voor "jeugdige kinderen". De discussie over het overdragen van vergunningen na overlijden toont aan hoe waardevol zo'n vergunning was; het was vaak het enige 'bezit' van een familie dat nog enige bestaanszekerheid bood.