Archief 745
Inventaris 745-303
Pagina 25
Dossier 92
Jaar 1939
Stadsarchief

Getypt verslag / ambtelijke rapportage.

Origineel

Getypt verslag / ambtelijke rapportage. In een in December jl. gehouden byeenkomst der sub-commissie genoemd op pagina 5 van de Notulen der Tweede vergadering van de "Commissie voor het bestudeeren van maatregelen ter beteugeling van den hinder van pluimvee-slachteryen", is besloten, dat het lid der Commissie, de heer Gaaikema, tesamen met den secretaris van het Marktwezen Mr. Van Praag, zou trachten voor Amsterdam een regeling voor het slachten en keuren van en den handel in wild en gevogelte te ontwerpen.

Ter uitvoering van deze opdracht hebben ondergeteekenden zich beraden, welke voorschriften ten deze dienen te worden ontworpen. Zy maakten hierby gebruik van de in bylage I dezes overgelegde Richtlynen, welke werden samengesteld door den heer Dr. Reeser, lid der bovengenoemde Commissie. Naast deze Richtlynen werd eveneens de mogelykheid van toepassing der Wettelyke bepalingen onderzocht, welke in bylage II zyn opgesomd.

Ondergeteekenden zyn tot de conclusie gekomen, dat het by den huidigen stand der Wetgeving niet mogelyk is, om plaatselyk de slachting van wild en gevogelte te regelen of te centraliseeren, wanneer daarby tevens eischen voor de keuring moeten worden gesteld en bovendien de invoer van elders geslacht en niet gekeurd wild of gevogelte moet worden verboden.

Naar de meening van ondergeteekenden is centralisatie van slachteryen als hier bedoeld, mogelyk op grond van artikel 4 lid 1 sub 3e der Hinderwet; wenscht men de slachteryen niet te centraliseeren, doch hiervoor nadere eischen te stellen, dan kan het hebben van slachteryen in de Algemeene Politie Verordening worden verboden. Hierby kan een ontheffingsmogelykheid in artikel 5 dier Verordening worden gesteld; aan de eventueel te verleenen vergunning kunnen dan de noodige eischen als voorwaarden worden verbonden; (een overgangstermyn voor bestaande slachteryen zou waarschynlyk gewenscht zyn). Wanneer de centralisatie zou vervallen, zou de dienst van het Marktwezen by deze aangelegenheid geen belang meer hebben.

Wanneer tot centralisatie wordt besloten, blyft het zeer de vraag of de Gemeente de bevoegdheid heeft, om den invoer van elders geslacht wild of gevogelte te verbieden. Op de Hinderwet kan deze bevoegdheid zeker niet berusten, terwyl een regeling hiervoor krachtens artikel 168 der Gemeentewet waarschynlyk te ver zou gaan. Bovendien is contrôle op den invoer zeer moeilyk, daar het hier kleine zendingen betreft, die per bodedienst e.d. veelvuldig plegen te worden bezorgd. In verband met de omstandigheid dat titel V der Jachtwet 1923 het vervoer van en den handel in wild regelt (zy het voor een ander doel, dan dat, hetwelk thans wordt beoogd), is het voorts de vraag of het vervoer van wild door den Gemeentelyken wetgever nog wel aan nadere voorschriften mag worden onderworpen. Dit document betreft een juridische en organisatorische verkenning door een Amsterdamse commissie naar de mogelijkheden om de controle op het slachten van wild en gevogelte te verbeteren. De kern van het probleem is dat de commissie weliswaar de hygiëne en hinder wil reguleren, maar stuit op de grenzen van de lokale bevoegdheid versus de nationale wetgeving.

Belangrijke juridische bevindingen in het document:
1. Hinderwet: Kan gebruikt worden voor centralisatie van slachterijen, maar biedt geen basis om de invoer van vlees van elders te verbieden.
2. Algemeene Politie Verordening (APV): Kan gebruikt worden om via een vergunningstelsel eisen te stellen aan slachterijen.
3. Conflict met Rijksregels: De Jachtwet 1923 regelt het vervoer van en de handel in wild al op nationaal niveau. De commissie vreest dat lokale (gemeentelijke) beperkingen hierop juridisch onhoudbaar zijn.
4. Handhaafbaarheid: Er wordt gewezen op de praktische onmogelijkheid om de invoer te controleren, aangezien wild vaak in kleine pakketten via bodediensten wordt verzonden. In het begin van de 20e eeuw professionaliseerde de vleeskeuring in Nederland (Vleeskeuringswet 1919), maar voor wild en gevogelte was de regelgeving vaak nog lokaal versnipperd of onvolledig. Amsterdam probeerde hier, zoals vaker bij grote steden, een voortrekkersrol in te spelen om de volksgezondheid te waarborgen en overlast (hinder) van kleine stadsslachterijen in dichtbevolkte wijken te beperken. De vermelding van de Jachtwet 1923 plaatst dit document in de periode van de vroege jaren '20, een tijd waarin de verhouding tussen gemeentelijke autonomie en de groeiende nationale wetgeving voortdurend werd getoetst.

Samenvatting

Dit document betreft een juridische en organisatorische verkenning door een Amsterdamse commissie naar de mogelijkheden om de controle op het slachten van wild en gevogelte te verbeteren. De kern van het probleem is dat de commissie weliswaar de hygiëne en hinder wil reguleren, maar stuit op de grenzen van de lokale bevoegdheid versus de nationale wetgeving.

Belangrijke juridische bevindingen in het document:
1. Hinderwet: Kan gebruikt worden voor centralisatie van slachterijen, maar biedt geen basis om de invoer van vlees van elders te verbieden.
2. Algemeene Politie Verordening (APV): Kan gebruikt worden om via een vergunningstelsel eisen te stellen aan slachterijen.
3. Conflict met Rijksregels: De Jachtwet 1923 regelt het vervoer van en de handel in wild al op nationaal niveau. De commissie vreest dat lokale (gemeentelijke) beperkingen hierop juridisch onhoudbaar zijn.
4. Handhaafbaarheid: Er wordt gewezen op de praktische onmogelijkheid om de invoer te controleren, aangezien wild vaak in kleine pakketten via bodediensten wordt verzonden.

Historische Context

In het begin van de 20e eeuw professionaliseerde de vleeskeuring in Nederland (Vleeskeuringswet 1919), maar voor wild en gevogelte was de regelgeving vaak nog lokaal versnipperd of onvolledig. Amsterdam probeerde hier, zoals vaker bij grote steden, een voortrekkersrol in te spelen om de volksgezondheid te waarborgen en overlast (hinder) van kleine stadsslachterijen in dichtbevolkte wijken te beperken. De vermelding van de Jachtwet 1923 plaatst dit document in de periode van de vroege jaren '20, een tijd waarin de verhouding tussen gemeentelijke autonomie en de groeiende nationale wetgeving voortdurend werd getoetst.

Kooplieden in dit dossier 42

A. Melhado Waterlooplein
A. Velleman Waterlooplein
B.Soester Waterlooplein
D.Nebbering Waterlooplein
Gebr.Jonk
Gebr.Verhoef
G. v. Gelder Waterlooplein
H. Couzyn Waterlooplein
H.G.Oudkerk
H.Stephanus Waterlooplein
N. de Roeverstr Waterlooplein
Jb.Reyndorp Waterlooplein
J.F.Toethuis
J. Rine Waterlooplein
J. Rol Waterlooplein
J. Schut Waterlooplein
J.W.Reese Waterlooplein
D. v. d. Molen Waterlooplein
M. Levie Waterlooplein
M.P.Krachtwyk
Alle 42 kooplieden →