Getypte ambtelijke of juridische notitie/advies.
Origineel
Getypte ambtelijke of juridische notitie/advies. -2-
3°, der Hinderwet voor het slachten te bestemmen inrichting (zie boven), c.q. met verplichting, om hier alles, ook van elders (ongeslacht ?) aan te voeren, en verbod om op andere plaatsen ongeslacht en ongekeurd ten verkoop of ter aflevering voorhanden te hebben, zou kunnen worden gedacht aan verdere regeling aan de hand van artikel 168 der Gemeentewet, luidende:
"Aan hem (Gemeenteraad) behoort het maken van de verordeningen, die in "het belang der openbare orde, zedelykheid en gezondheid worden ver- "eischt en van andere, betreffende de huishouding der gemeente".
Echter is het zeer de vraag, of de Gemeenteraad hiertoe in verband met de bepalingen der Warenwet (vergel. b.v. artikel 6 en artikel 15, lid 1, onder b) en de op artikel 6 van deze wet gebaseerde "Verordening op de keuring van waren", wel de bevoegdheid heeft.
(Ten aanzien van deze verordening heeft de Minister van Arbeid in 1920 diverse aanwyzingen gegeven).
Tevens verdienen in dit verband nog aandacht de artikelen 185, 193 en 194 der Gemeentewet, luidende:
"Artikel 185. De besluiten van den raad en van burgemeester en wethou- "ders kunnen, zoover zy met de wetten of het algemeen belang stryden, "door Ons worden geschorst of vernietigd."
"Artikel 193. De plaatselyke verordeningen treden niet in hetgeen van "algemeen Ryks- of provinciaal belang is.
"By twyfel, of eene verordening dit deed, verbindt zy, totdat artikel "185 is toegepast".
"Artikel 194. De bepalingen van plaatselyke verordeningen, in wier on- "derwerp door eene wet, een algemeenen maatregel van bestuur, eene pro- "vinciale verordening of eener verordening van eene commissie of een "orgaan bedoeld in artikel 130, wordt voorzien, houden van rechtswege "op te gelden."
De onder c bedoelde regeling zou zeer verstrekkend zyn, zelfs nog verder gaan dan die van de Vleeschkeuringswet en de daarin imperatief voorge- schreven "Verordening op den Keuringsdienst van slachtdieren, vleesch en Dit document is een juridisch-bestuurlijk advies over de grenzen van de gemeentelijke autonomie. De kernvraag is of een gemeente via een plaatselijke verordening (gebaseerd op de algemene bevoegdheid uit de Gemeentewet) een monopolie kan vestigen op het slachten en keuren van vlees binnen haar grenzen, inclusief vlees dat van elders wordt aangevoerd.
De auteur van het stuk stelt hier kritische vragen bij. Hoewel de Gemeentewet (Art. 168) de raad de macht geeft om verordeningen te maken voor de "gezondheid", wordt dit beperkt door hogere wetgeving zoals de Warenwet en de Vleeschkeuringswet. Het document citeert de artikelen 185, 193 en 194 van de Gemeentewet om te benadrukken dat lokale regels niet in strijd mogen zijn met het algemeen rijksbelang of hogere wetten; zodra een hogere wet in hetzelfde onderwerp voorziet, vervalt de rechtsgeldigheid van de lokale verordening.
De toon is formeel en waarschuwend: de voorgestelde regeling wordt als "zeer verstrekkend" omschreven. In het begin van de 20e eeuw vond in Nederland een centralisatieslag plaats op het gebied van volksgezondheid en voedselveiligheid. Belangrijke wetten zoals de Warenwet (1919) en de Vleeskeuringswet (1919) werden ingevoerd om landelijke standaarden te creëren. Vóór die tijd hadden gemeenten veel meer vrijheid om hun eigen keuringsdiensten en slachthuizen in te richten, wat vaak leidde tot grote verschillen in kwaliteit en rechtsongelijkheid voor handelaren.
Dit document weerspiegelt de spanning tussen de oude gemeentelijke autonomie en de opkomende nationale regelgeving. Gemeenten probeerden vaak hun lokale inkomsten uit slachthuizen te beschermen door strenge lokale verordeningen, terwijl de rijksoverheid streefde naar een geünificeerd systeem. De referentie naar de Minister van Arbeid (die destijds verantwoordelijk was voor volksgezondheid) in 1920 plaatst dit document in de actieve periode van de implementatie van deze nieuwe nationale wetten.