Archief 745
Inventaris 745-303
Pagina 245
Dossier 17
Jaar 1939
Stadsarchief

Getypte ambtelijke nota of juridisch advies (doorslag of origineel op machinepapier).

Origineel

Getypte ambtelijke nota of juridisch advies (doorslag of origineel op machinepapier). -3-

I artikel 4 sub 3e der Hinderwet;
II artikel 15 lid 3 der Warenwet St.bl.No.793, 1935;
III artikel 168 der Gemeentewet.

Ad I. Krachtens artikel 4 sub 3e der Hinderwet kan de Gemeenteraad by plaatselyke verordening verbieden onder andere om een slachtery op te richten, te hebben of te gebruiken, indien in de gemeente een inrichting aanwezig is, waarin belanghebbende onder by verordening vast te stellen voorwaarden het bedryf kunnen uitoefenen.

De eenige vraag, die hier ryst is, of een pluimveeslachtery een slachtery is in den zin van deze wetsbepaling. Gezien het feit, dat een Wetsontwerp aanhangig is, waarby de pluimveeslachteryen uitdrukkelyk onder dit voorschrift worden gebracht, bestaat omtrent deze vraag thans nog eenige twyfel, hoewel reeds eenige malen door den Rechter is uitgemaakt, dat ook krachtens de huidige Wet pluimveeslachteryen als slachteryen moeten worden aangemerkt. Aangezien de Regeering bovendien, blykens het voorbereiden van een Wetsontwerp ten deze, het belang erkent, dat pluimveeslachteryen onder het onderhavige voorschrift vallen, lykt het wel verantwoord om reeds thans te dien aanzien een plaatselyke verordening te ontwerpen. De kans, dat de Kroon een dergelyke verordening krachtens artikel 185 der Gemeentewet zal vernietigen, of dat de Rechter, de verordening toetsende, haar niet verbindend zal verklaren, wordt op grond van het bovenstaande gering geacht. Mocht dit onverhoopt geschieden, dan zou altyd nog kunnen worden overwogen, om de verordening tot centralisatie der slachtingen te baseeren op artikel 168 der Gemeentewet.

Centralisatie der slachting is in de eerste plaats noodig om den ten deze bestaanden hinder doeltreffend te bestryden; bovendien is aan centralisatie het voordeel verbonden, dat een eventueel in te voeren verplichte keuring van pluimvee en konynen erdoor wordt vergemakkelykt.

Ad II. Deze verplichte keuring zou moeten voorafgaan aan het in den handel brengen van de waar. Krachtens de Amsterdamsche Verordening ex art. 6 der Waren- * Juridische argumentatie: Het document onderzoekt de houdbaarheid van een gemeentelijke verordening om pluimveeslacht te centraliseren. De auteur weegt drie wetten tegen elkaar af: de Hinderwet (voor het weren van overlast), de Warenwet (voor de keuring en voedselveiligheid) en de Gemeentewet (als algemene vangnetbepaling).
* Definitiekwestie: Een centraal punt van discussie is of de term "slachtery" in de toenmalige Hinderwet ook van toepassing was op pluimvee. Hoewel er jurisprudentie was die dit bevestigde en er nieuwe wetgeving in de maak was, bestond er blijkbaar nog formele onzekerheid.
* Doelstellingen: De overheid streeft hier twee doelen na:
1. Sanering van hinder: Het tegengaan van overlast (geur, geluid, afval) door verspreide kleinschalige slachterijen.
2. Voedselveiligheid: Het vergemakkelijken van de (toekomstige) verplichte keuring van pluimvee en konijnen door alle slacht op één locatie te concentreren.
* Lokaal vs. Nationaal: Het document toont de wisselwerking tussen gemeentelijk beleid (verordeningen) en landelijke wetgeving (het genoemde aanhangige wetsontwerp). Er wordt specifiek verwezen naar een bestaande verordening in Amsterdam als precedent. Dit document stamt uit een periode (eind jaren '30) waarin de Nederlandse overheid de grip op de volksgezondheid en voedselhygiëne sterk aan het verstevigen was. De overgang van ambachtelijke, ongecontroleerde thuisslacht naar gereguleerde, centrale slachthuizen was een belangrijk onderdeel van de modernisering van de voedselketen.

De referentie naar de Warenwet van 1935 (Staatsblad 793) is cruciaal; deze wet gaf de overheid uitgebreidere bevoegdheden om toezicht te houden op de kwaliteit van levensmiddelen. Het document illustreert de juridische "pioniersfase" waarbij gemeenten probeerden vooruit te lopen op landelijke regelgeving voor pluimvee, dat destijds minder streng gereguleerd was dan groot vee.

Samenvatting

  • Juridische argumentatie: Het document onderzoekt de houdbaarheid van een gemeentelijke verordening om pluimveeslacht te centraliseren. De auteur weegt drie wetten tegen elkaar af: de Hinderwet (voor het weren van overlast), de Warenwet (voor de keuring en voedselveiligheid) en de Gemeentewet (als algemene vangnetbepaling).
  • Definitiekwestie: Een centraal punt van discussie is of de term "slachtery" in de toenmalige Hinderwet ook van toepassing was op pluimvee. Hoewel er jurisprudentie was die dit bevestigde en er nieuwe wetgeving in de maak was, bestond er blijkbaar nog formele onzekerheid.
  • Doelstellingen: De overheid streeft hier twee doelen na:
    1. Sanering van hinder: Het tegengaan van overlast (geur, geluid, afval) door verspreide kleinschalige slachterijen.
    2. Voedselveiligheid: Het vergemakkelijken van de (toekomstige) verplichte keuring van pluimvee en konijnen door alle slacht op één locatie te concentreren.
  • Lokaal vs. Nationaal: Het document toont de wisselwerking tussen gemeentelijk beleid (verordeningen) en landelijke wetgeving (het genoemde aanhangige wetsontwerp). Er wordt specifiek verwezen naar een bestaande verordening in Amsterdam als precedent.

Historische Context

Dit document stamt uit een periode (eind jaren '30) waarin de Nederlandse overheid de grip op de volksgezondheid en voedselhygiëne sterk aan het verstevigen was. De overgang van ambachtelijke, ongecontroleerde thuisslacht naar gereguleerde, centrale slachthuizen was een belangrijk onderdeel van de modernisering van de voedselketen.

De referentie naar de Warenwet van 1935 (Staatsblad 793) is cruciaal; deze wet gaf de overheid uitgebreidere bevoegdheden om toezicht te houden op de kwaliteit van levensmiddelen. Het document illustreert de juridische "pioniersfase" waarbij gemeenten probeerden vooruit te lopen op landelijke regelgeving voor pluimvee, dat destijds minder streng gereguleerd was dan groot vee.

Kooplieden in dit dossier 42

A. Melhado Waterlooplein
A. Velleman Waterlooplein
B.Soester Waterlooplein
D.Nebbering Waterlooplein
Gebr.Jonk
Gebr.Verhoef
G. v. Gelder Waterlooplein
H. Couzyn Waterlooplein
H.G.Oudkerk
H.Stephanus Waterlooplein
N. de Roeverstr Waterlooplein
Jb.Reyndorp Waterlooplein
J.F.Toethuis
J. Rine Waterlooplein
J. Rol Waterlooplein
J. Schut Waterlooplein
J.W.Reese Waterlooplein
D. v. d. Molen Waterlooplein
M. Levie Waterlooplein
M.P.Krachtwyk
Alle 42 kooplieden →